1

Lof zij den God van Israël,
Den Heer’, die aan Zijn erfvolk dacht,
En, door Zijn liefderijk bestel,
Verlossing heeft teweeg gebracht;
Een hoorn des heils heeft opgerecht;
’t Geen Davids huis was toegezegd,
Dat wil Hij ons nu schenken;
Gelijk Gods trouw, van ’s aardrijks ochtendstond,
Door der profeten wijzen mond,
Zich hiertoe aan de vaderen verbond.

2

God had hun, tot hun troost, gemeld,
Hoe Zijn geons redden zou
Van onzer haat’ren wreed geweld;
Nu blijkt Zijn onverwrikb’re trouw;
Nu toont Hij Zijn barmhartigheid,
Vanouds den vaad’ren toegezeid,
En dat Hij wil gedenken
Aan ’t heilverbond, aan dien gestaafden eed,
Dien Hij weleer aan Abram deed,
Aan Zijn verbond, dat van geen wank’len weet.

3

Hij speld’ ons, dat wij t’ allen tijd,
Wanneer die blijde heildag rees,
Van ’s vijands dienstbaar juk bevrijd,
Hem dienen zouden zonder vrees,
Naar ’t heilig recht, in ware deugd.
O dierbaar Kind, o stof van vreugd,
Geschenk van ’t Alvermogen,
Elk noem’ u Gods profeet en geev’ u eer;
Gij treedt voor ’t aanschijn van den HEER’,
En baant Zijn weg door leven en door leer.

4

Dus wordt des HEEREN volk geleid,
Door ’t licht, dat nu ontstoken is,
Tot kennis van de zaligheid,
In hunne schuldvergiffenis;
Die nooit in schoner glans verscheen,
Dan nu, door Gods barmhartigheên,
Die, met ons lot bewogen,
Om ons van zond’ en ongeval t’ ontslaan,
Een ster in Jakob op doet gaan,
De zon des heils doet aan de kimmen staan.

5

Voor elk, die in het duister dwaalt,
Verstrekt deez’ zon een helder licht.
Dat hem in schâuw des doods bestraalt,
Op ’t vredepad zijn voeten richt.

WDogMQpUOiBMb2Z6YW5nIHZhbiBaYWNoYXJpYXM6MQpNOiBDCkw6IDEvNApDOiBoeXBvLWlvbmlzY2gKUzogwqkgMjAyMiAtIGxpdHVyZ2llLm51ClE6IDE0MAolJU1JREkgcHJvZ3JhbSAxNgpLOiBEbQpjMiBkIGMgQTIgYzIgQiBCIEEyIHoyIHwKdzpMb2YgemlqIGRlbiBHb2QgdmFuIElzLXJhLcOrbCwNCkcyIEEgQiBjMiBCIEEgRzIgRjIgejIgfAp3OkRlbiBIZWVy4oCZLCBkaWUgYWFuIFppam4gZXJmLXZvbGsgZGFjaHQsDQpjMiBkIGMgQTIgYzIgQiBCIEEyIHoyIHwKdzpFbiwgZG9vciBaaWpuIGxpZWYtZGUtcmlqayBiZS1zdGVsLA0KRzIgQSBCIGMyIEIgQSBHMiBGMiB6MiB8Cnc6VmVyLWxvcy1zaW5nIGhlZWZ0IHRlLXdlZWcgZ2UtYnJhY2h0Ow0KRjIgRyBBIEIyIEcyIEEgRyBGMiB6MiB8Cnc6RWVuIGhvb3JuIGRlcyBoZWlscyBoZWVmdCBvcC1nZS1yZWNodDsNCkYyIEEgQiBjMiBkMiBBID1CIGMyIHoyIHwKdzrigJl0fkdlZW4gRGEtdmlkcyBodWlzIHdhcyB0b2UtZ2UtemVnZCwNCkEyIGMgZCBjIEEgQjIgQTIgejIgfAp3OkRhdCB3aWwgSGlqIG9ucyBudSBzY2hlbi1rZW47DQpkMiBkIGQgRzIgYzIgQiBHIEEgQSBHMiB6MiB8Cnc6R2UtbGlqayBHb2RzIHRyb3V3LCB2YW4g4oCZc35hYXJkLXJpamtzIG9jaC10ZW5kLXN0b25kLA0KQjIgQSBHIEYyIEcgRSBEMiBDMiB6MiB8Cnc6RG9vciBkZXIgcHJvLWZlLXRlbiB3aWotemVuIG1vbmQsDQpDMiBGMiBHIEEgQiBjIEEgQiBHMiBGMiB6MiB8XQp3OlppY2ggaGllci10b2UgYWFuIGRlIHZhLWRlLXJlbiB2ZXItYm9uZC4K

Onberijmde versie Lukas 1:67-79 (HSV) Bijbelvertaling aanpassen

  1. En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met de Heilige Geest en profeteerde:
  2. Geprezen zij de Heere, de God van Israël, want Hij heeft naar Zijn volk omgezien en er verlossing voor tot stand gebracht.
  3. En Hij heeft een hoorn van zaligheid voor ons opgericht in het huis van David, Zijn knecht,
  4. zoals Hij gesproken had bij monde van Zijn heilige profeten, die er door de eeuwen heen geweest zijn,
  5. namelijk verlossing van onze vijanden en bevrijding uit de hand van allen die ons haten,
  6. om barmhartigheid te bewijzen aan onze vaderen en te denken aan Zijn heilig verbond,
  7. de eed die Hij aan Abraham, onze vader, gezworen heeft om ons te geven,
  8. dat wij, verlost uit de hand van onze vijanden, Hem zouden dienen zonder vrees,
  9. in heiligheid en gerechtigheid voor Hem alle dagen van ons leven.
  10. En jij, kind, zult een profeet van de Allerhoogste genoemd worden, want je zult voor het aangezicht van de Heere uit gaan om Zijn wegen gereed te maken,
  11. en om Zijn volk kennis van de zaligheid te geven in de vergeving van hun zonden
  12. door de innige gevoelens van barmhartigheid van onze God, waarmee de Opgang uit de hoogte naar ons omgezien heeft,
  13. om te verschijnen aan hen die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood, en om onze voeten te richten op de weg van de vrede.

Dichter:

Zacharias

Samenvatting:

Nadat Johannes de Doper geboren is, mag Zacharias weer spreken (Luk. 1:57-79). Hij spreekt vervolgens deze profetische lofzang uit, waarin hij God looft dat Hij naar Zijn volk heeft omgezien, dat Hij Zijn beloften heeft waargemaakt en dat de verlossing (de Messias) nabij is. Hij profeteert ook over de toekomstige functie van Johannes de Doper. 

Te zingen bij:

Deze website is nog in ontwikkeling

Momenteel is deze website in bèta-versie beschikbaar. U kunt al wel gebruik maken van deze website. In de komende maanden worden moeilijke en verouderde woorden (in de psalmberijming van 1773 en de klassieke liturgische formulieren) voorzien van uitleg. Help mee en ondersteun deze werkzaamheden.

Psalmen: 83 van 162
Formulieren: 0 van 8
Instrumentorgel
Zangwijzeritmisch
Snelheid100M50
BijbelvertalingHSV
Tekst16