1

’k Roep, HEER’, in angst tot U gevloden,
Ai, haast U tot mijn hulp en red;
Hoor naar de stem van mijn gebed,
Daar ik U aanroep in mijn noden.

2

Mijn beê, met opgeheven handen,
Klimm’ voor Uw heilig aangezicht,
Als reukwerk, voor U toegericht,
Als offers, die des avonds branden.

3

Zet, HEER’, een wacht voor mijne lippen;
Behoed de deuren van mijn mond,
Opdat ik mij, tot genen stond,
Iets onbedachtzaams laat’ ontglippen.

4

Neig’ nooit mijn hart tot kwade zaken,
Om tot godd’loosheid mij te spoen,
Met mannen, die verkeerdheid doen;
Laat mij hun lekkernij niet smaken.

5

D’ oprechte sla mij zonder vrezen,
Ik reken zulks weldadigheid;
En zijn bestraffing, die niet vleit,
Zal olie op mijn schedel wezen.

6

Dat slaan zal mij het hoofd niet breken;
’k Zal, door dat liefdeblijk vermaakt,
Als een uit hen in rampspoed raakt,
Te vuur’ger om zijn redding smeken.

7

’k Heb hunne rechters vrij gelaten;
De rots getuigt; elk heeft gehoord,
Hoe aangenaam mijn vriend’lijk woord
Was ingericht tot die mij haten.

8

Men heeft ons wreed vaneen gereten,
Verstrooid als beend’ren aan het graf,
Als iets, waar niemand acht op gaf,
Gekloofd, verdeeld, en weggemeten.

9

Doch op U zien mijn schreiend’ ogen;
Op U betrouw ik in ’t verdriet.
Verlaat, ontbloot mijn ziel toch niet,
O HEER’, o eeuwig Alvermogen.

10

Bewaar mij voor ’t geweld der strikken,
Die tot mijn val mij zijn gelegd,
Door hen, die wars van ’t heilig recht,
Het boze doen all’ ogenblikken.

11

Dat, die godd’loos zijn sidd’rend vrezen,
Elk hunner in zijn garen vall’,
Totdat ik onverhinderd zal
Voorbijgegaan en veilig wezen.

WDogMQpUOiBQc2FsbSAxNDE6MQpNOiBDCkw6IDEvNApDOiBwaHJ5Z2lzY2gKUzogwqkgMjAyMiAtIGxpdHVyZ2llLm51ClE6IDE0MAolJU1JREkgcHJvZ3JhbSAxOApLOiBECkYyIEUgRDIgRiBBMiBHIEYgQjIgQTIgejIgfAp3OuKAmWt+Um9lcCwgSEVFUuKAmSwgaW4gYW5nc3QgdG90IFUgZ2UtdmxvLWRlbiwKQTIgQiBCIEEyIEYgRzIgRSBGMiB6MiB8Cnc6QWksIGhhYXN0IFUgdG90IG1pam4gaHVscCBlbiByZWQ7CkEyIEcgRSBGMiBHIEYyIEUgRDIgejIgfAp3Okhvb3IgbmFhciBkZSBzdGVtIHZhbiBtaWpuIGdlLWJlZCwKRDIgRiBHIEEyIEEyIEYgQSBHMiBGMiB6MiB8XQp3OkRhYXIgaWsgVSBhYW4tcm9lcCBpbiBtaWpuIG5vLWRlbi4K

Onberijmde versie Psalm 141:1-10 (HSV) Bijbelvertaling aanpassen

  1. Een psalm van David.
    HEERE, ik roep U aan, kom spoedig tot mij,
    neem mijn stem ter ore, wanneer ik tot U roep.
  2. Laat mijn gebed als reukwerk voor Uw aangezicht staan,
    laat mijn opgeheven handen als het avondoffer zijn.
  3. HEERE, zet een wacht voor mijn mond,
    behoed de deur van mijn lippen.
  4. Laat mijn hart zich niet neigen naar een slechte zaak,
    om goddeloze daden te verrichten
    met mannen die onrecht bedrijven;
    en laat mij niet eten van hun lekkernijen.
  5. Slaat de rechtvaardige mij, het zal een gunst zijn,
    bestraft hij mij, het zal olie op mijn hoofd wezen,
    mijn hoofd zal het niet weigeren;
    dan nog is mijn gebed voor hen in hun ellende.
  6. Hun rechters zijn bij de rotswand vrijgelaten,
    zij hebben gehoord hoe aangenaam mijn woorden waren.
  7. Onze beenderen liggen verstrooid bij de mond van het graf,
    alsof iemand op de grond iets gekloofd en gespleten had.
  8. Maar op U zijn mijn ogen gericht, HEERE Heere;
    tot U heb ik de toevlucht genomen, laat mijn ziel niet berooid achter.
  9. Bewaar mij voor de knellende strik die zij mij gezet hebben,
    voor de valstrikken van wie onrecht bedrijven.
  10. Laat de goddelozen in hun eigen netten vallen, allemaal,
    totdat ík voorbij ben gegaan.

Dichter:

David

Samenvatting:

Smeekgebed van David, waarin God wordt gevraagd om de psalmdichter te behoeden voor de vakstrikken van de zondaars en de verkeerde wegen die zij bewandelen.

Te zingen bij:

Deze website is nog in ontwikkeling

Momenteel is deze website in bèta-versie beschikbaar. U kunt al wel gebruik maken van deze website. In de komende maanden worden moeilijke en verouderde woorden (in de psalmberijming van 1773 en de klassieke liturgische formulieren) voorzien van uitleg. Help mee en ondersteun deze werkzaamheden.

Psalmen: 43 van 162
Formulieren: 0 van 8
Instrumentorgel
Zangwijzeritmisch
Snelheid100
BijbelvertalingHSV
Tekst16