1

Hoe lang, o HEER’, mijn Toeverlaat,
Vergeet Gij mijnen jammerstaat?
Hoe lang zult Gij in mijn ellenden,
Van mij Uw vriend’lijk aanschijn wen-den?
Daar al mijn moed en kracht vergaat.

2

Hoe lang zal ik door tegenheên,
In ’t hart vergeefs ontwerpen smeên;
En vrucht’loos schreien ganse dagen?
Hoe lang zal mij mijn vijand pla-gen;
En mij verachtelijk vertreên?

3

Aanschouw mijn ramp, verhoor mij, HEER’;
Ai, zie op al mijn lijden neer.
Verlicht, mijn God, verlicht mijn ogen,
En laat Uw goedheid niet gedo-gen,
Dat mij de slaap des doods verteer’.

4

Opdat de vijand, die mij haat,
Niet juich’ in mijn bedrukten staat,
Mij nooit van God verlaten noeme;
Noch in mijn wank’len zich beroe-me,
Dat mij hun overmacht verslaat.

5

Maar in dit smartelijk verdriet,
Mistrouwt mijn hart Uw goedheid niet.
Neen, ’t zal zich in Uw heil verblijden.
Ik zal den HEER’ mijn lofzang wij-den,
Die mij genadig bijstand biedt.

WDogMQpUOiBQc2FsbSAxMwpNOiBDCkw6IDEvNApDOiBkb3Jpc2NoClM6IMKpIDIwMjEgLSBsaXR1cmdpZS5udQpROiAxNDAKJSVNSURJIHByb2dyYW0gMQpEMiBEIEQgRiBGIEcgRyBBMiB6MiB8Cnc6SG9lIGxhbmcsIG8gSEVFUuKAmSwgbWlqbiBUb2UtdmVyLWxhYXQsDQpBMiBCIGMgQSBkMiBjIEIyIEEyIHoyIHwKdzpWZXItZ2VldCBHaWogbWlqLW5lbiBqYW0tbWVyLXN0YWF0Pw0KQTIgRyBGIEUgRiBHIEEgRzIgRjIgejIgfAp3OkhvZSBsYW5nIHp1bHQgR2lqIGluIG1pam4gZWwtbGVuLWRlbiwNCkYyIEcgRyBBMiBjMiBjIEIgQTItRjIgRTIgejIgfAp3OlZhbiBtaWogVXcgdnJpZW5k4oCZLWxpamsgYWFuLXNjaGlqbiB3ZW4tX2Rlbj8NCkEyIEcgRSBHMiBGIEQgRTIgRDIgejIgfF0KdzpEYWFyIGFsIG1pam4gbW9lZCBlbiBrcmFjaHQgdmVyLWdhYXQuCg==

Onberijmde versie Psalm 13:1-6 (SV) Bijbelvertaling aanpassen

  1. Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
  2. Hoe lang, HEERE, zult Gij mij steeds vergeten? Hoe lang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen?
  3. Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijn ziel, droefenis in mijn hart bij dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn?
  4. Aanschouw, verhoor mij, HEERE, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape;
  5. Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen.
  6. Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil; ik zal den HEERE zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft.

Samenvatting:

Persoonlijke smeekgebed van David, hij is wanhopig en aan het einde van zijn krachten. Toch vertrouwt hij op de goedheid van God.

Te zingen bij:

Instrumentpiano
Zangwijzeritmisch
Snelheid100
BijbelvertalingSV
Tekst16