1

Waarom, o God, zijn wij in eeuwigheid
Van Uwe gunst en onderstand verstoken?
Hoe kan Uw toorn dus tegen ons nog roken,
Die schapen zijn, zelfs door Uw hand geweid?

2

Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond;
Denk aan Uw volk, door U van ouds verkregen;
Denk aan Uw erf, het voorwerp van Uw zegen;
Aan Sions berg waar G’ eertijds hebt gewoond.

3

Ruk spoedig aan, verdubbeld Uwe schreên;
Zie, hoe de stad verwoest ligt en vergeten;
Des vijands macht heeft alles neergesmeten,
Uw heiligdom verdorven en vertreên.

4

Uw vijand heeft ter plaatse van ’t gebed,
Gelijk een leeuw gebruld bij ’t zegevieren.
Zelfs, U ten schimp, heeft hij zijn krijgsbanieren
In trotsen moed, tot tekenen gezet.

5

Elk woedt om strijd, en toont zich onbeschroomd;
Men houwt en hakt, dat poort en binten beven,
Gelijk men slaaft, om bijlen aan te geven,
En ijv’rig kapt in ’t hoog en dicht geboomt’.

6

Dus hebben z’ ook, doldriftig, onbesuisd,
Graveerselen, pilaren, wanden, bogen,
Wier kunstsieraad de lust was van elks ogen,
Met zwaard, houweel en hamer woest vergruisd.

7

Uw heiligdom is door het vuur verteerd;
Niets heeft zijn glans voor ’t woên des gloeds beveiligd.
Uw schoon paleis, Uw woning is ontheiligd,
Ten gronde toe in puin en as verkeerd.

8

“Laat”, zeiden zij, “laat ons het ganse land,
Geplunderd, voor onz’ overmacht doen zwichten!”
Hun wrede vuist heeft al de Godsgestichten,
Uw naam ten hoon, verbrijzeld of verbrand.

9

Wij zien aan ons, na al dit ongeval,
Geen teek’nen meer van Uwe gunst gegeven.
Niet een profeet is ons tot troost gebleven;
Geen sterv’ling weet, hoe lang dit duren zal.

10

Hoe lang, o God, zal in dit zwaar verdriet,
De vijand ons zijn wrede trotsheid tonen;
Zal hij Uw naam in eeuwigheid dan honen?
Neen, ’t kan niet zijn; dat duldt Uw glorie niet.

11

Ach, waarom trekt G’ uw hand dus van ons af,
Uw rechterhand, die ons ten steun kan strekken?
Ai, wil haar eens uit Uwen boezem trekken,
En maak een eind aan Uw gestrenge straf.

12

Gij, evenwel, Gij blijft dezelfd’, o HEER’;
Gij zijt van ouds mijn Toeverlaat, mijn Koning,
Die uitkomst gaaft, en uit Uw hemelwoning,
Voor ieders oog Uw haat’ren gingt te keer.

13

Gij spleet weleer de Schelfzee door Uw kracht;
Gij hebt den kop der woest’ en felle draken,
Het vrees’lijk heir, dat Isrel dorst genaken,
ln ’t hart der zee, verbroken door Uw macht.

14

Uw sterke hand heeft ’s Leviathans woên,
Betoomd, gestuit; deed Farao bezwijken;
Waar ’t woest gediert’ aan duizenden van lijken,
Op ’t dorre strand, zijn rooflust mocht voldoen.

15

Hoe menigmaal hebt G’ ons Uw gunst betoogd,
’t zij G’ een fontein deedt uit een rots ontspringen.
Of op een hoop de waat’ren samendringen,
Wanneer de stroom door U werd uitgedroogd.

16

De dag is d’ Uw’; ook vormdet Gij den nacht;
Gij schiept het licht, de zon met gloed en stralen;
Door U is d’ aard’ gesteld in juiste palen;
Elk jaarseizoen hebt Gij tot stand gebracht.

17

Herdenk, mijn God, herdenk die wonderdaân!
Een dwaas geslacht heeft Uwen naam gelasterd;
De vijand, van Uw vrees en dienst verbasterd,
Heeft Uwen roem met smaad en schimp belaân.

18

Geef ’t wild gediert’, dat niets in ’t woên ontziet,
De ziele van Uw tortelduif niet over;
Laat, grote God, om een gehaten rover,
Uw kwijnend volk niet eeuwig in ’t verdriet.

19

Beschouw, herdenk Uw vastgestaafd verbond;
Laat dat Uw hart tot ons in liefd’ ontvonken;
Het land is vol van duis’tre moordspelonken,
Vanwaar ’t geweld ons grieft met wond op wond.

20

Dat elk verdrukt’ Uw bijstand eens erlang’;
Laat, laat Uw volk niet schaamrood wederkeren;
Maar wil van hen ellend’ en nooddruft weren,
Opdat z’ Uw naam verheffen in gezang.

21

Rijs op, o God, rijs op, toon Uw gezag;
Betwist Uw zaak, wees onze pleitbeslechter,
’t Is meer dan tijd; gedenk, o hoogste Rechter,
Wat smaad de dwaas U aandoet dag op dag.

22

Vergeet niet, HEER’, dien onverdraagb’ren hoon,
Dat luid geroep van al Uw weêrpartijders.
Het woest getier van Uwe machtbestrijders.
Stijgt telkens op tot voor Uw hemeltroon.

WDogMQpUOiBQc2FsbSA3NApNOiBDCkw6IDEvNApDOiBtaXhvbHlkaXNjaApTOiDCqSAyMDIxIC0gbGl0dXJnaWUubnUKUTogMTQwCiUlTUlESSBwcm9ncmFtIDEKSzogR20KYzIgQSBCIGMyIGMyIEEgQiBHIEcgRjIgejIgfAp3OldhYS1yb20sIG8gR29kLCB6aWpuIHdpaiBpbiBlZXUtd2lnLWhlaWQKRjIgQSBCIGMyIEIyIEEgRyBBIGMgPUIyIGMyIHoyIHwKdzpWYW4gVS13ZSBndW5zdCBlbiBvbi1kZXItc3RhbmQgdmVyLXN0by1rZW4/CmMyIEIgQSBHMiBjMiBCIEEgQiBjIGQyIGMyIHoyIHwKdzpIb2Uga2FuIFV3IHRvb3JuIGR1cyB0ZS1nZW4gb25zIG5vZyByby1rZW4sCkcyIEEgQiBjMiBHMiBBIEIgRyBHIEYyIHoyIHxdCnc6RGllIHNjaGEtcGVuIHppam4sIHplbGZzIGRvb3IgVXcgaGFuZCBnZS13ZWlkPwo=

Onberijmde versie Psalm 74:1-23 (SV) Bijbelvertaling aanpassen

  1. Een onderwijzing, voor Asaf. O God! waarom verstoot Gij in eeuwigheid? Waarom zou Uw toorn roken tegen de schapen Uwer weide?
  2. Gedenk aan Uw vergadering, die Gij van ouds verworven hebt; de roede Uwer erfenis, die Gij verlost hebt; den berg Sion, waarop Gij gewoond hebt.
  3. Hef Uw voeten op tot de eeuwige verwoestingen; de vijand heeft alles in het heiligdom verdorven.
  4. Uw wederpartijders hebben in het midden van Uw vergaderplaatsen gebruld; zij hebben hun tekenen tot tekenen gesteld.
  5. Een ieder werd er bekend als een, die de bijlen omhoog aanbrengt in de dichtigheid van een geboomte.
  6. Alzo hebben zij nu derzelver graveerselen samen met houwelen en beukhamers in stukken geslagen.
  7. Zij hebben Uw heiligdommen in het vuur gezet; ter aarde toe hebben zij de woning Uws Naams ontheiligd.
  8. Zij hebben in hun hart gezegd: Laat ze ons te zamen uitplunderen; zij hebben alle Gods vergaderplaatsen in het land verbrand.
  9. Wij zien onze tekenen niet; er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet, hoe lang.
  10. Hoe lang, o God! zal de wederpartijder smaden? Zal de vijand Uw Naam in eeuwigheid lasteren?
  11. Waarom trekt Gij Uw hand, ja, Uw rechterhand af? Trek haar uit het midden van Uw boezem; maak een einde.
  12. Evenwel is God mijn Koning van ouds af, Die verlossingen werkt in het midden der aarde.
  13. Gij hebt door Uw sterkte de zee gespleten; Gij hebt de koppen der draken in de wateren verbroken.
  14. Gij hebt de koppen des Leviathans verpletterd; Gij hebt hem tot spijs gegeven aan het volk in dorre plaatsen.
  15. Gij hebt een fontein en beek gekliefd; Gij hebt sterke rivieren uitgedroogd.
  16. De dag is Uwe, ook is de nacht Uwe; Gij hebt het licht en de zon bereid.
  17. Gij hebt al de palen der aarde gesteld; zomer en winter, die hebt Gij geformeerd.
  18. Gedenk hieraan; de vijand heeft den HEERE gesmaad, en een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd.
  19. Geef aan het wild gedierte de ziel Uwer tortelduif niet over; vergeet den hoop Uwer ellendigen niet in eeuwigheid.
  20. Aanschouw het verbond; want de duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld.
  21. Laat den verdrukte niet beschaamd wederkeren; laat den ellendige en nooddruftige Uw Naam prijzen.
  22. Sta op, o God! twist Uw twistzaak; gedenk der smaadheid, die U van den dwaze wedervaart den gansen dag.
  23. Vergeet niet het geroep Uwer wederpartijders; het getier dergenen, die tegen U opstaan, klimt geduriglijk op.

Samenvatting:

Klaaglied vanwege een ramp die Gods volk is overkomen: de tempel is verwoest door de Babylonische legers. De psalm bestaat uit twee delen: het eerste deel is een klaagzang waarin Asaf zijn ontreddering uitdrukt. In het tweede deel drukt hij zijn geloof in de almachtige God uit, herinnert aan Zijn reddingen in het verleden en smeekt de dichter God om opnieuw in te grijpen.

Te zingen bij:

Instrumentpiano
Zangwijzeritmisch
Snelheid100
BijbelvertalingSV
Tekst16