1

De lofzang klimt uit Sions zalen
Tot U met stil ontzag;
Daar zal men U, o God, betalen,
Geloften, dag bij dag;
Gij hoort hen, die Uw heil verwachten,
O, Hoorder der gebeên;
Dies zullen allerlei geslachten,
Ootmoedig tot U treên.

2

Een stroom van ongerechtigheden
Had d’ overhand op mij;
Maar ons weerspannig overtreden
Verzoent en zuivert Gij.
Welzalig, dien Gij hebt verkoren,
Dien G’ uit al ’t aards gedruis
Doet naad’ren, en Uw heilstem horen,
Ja, wonen in Uw huis.

3

Daar zal ons ’t goede van Uw woning
Verzaden, reis op reis,
En ’t heilig deel, o grote Koning,
Van Uw geducht paleis;
Gij, Gij zult vreselijke dingen
Ons, in gerechtigheid,
Doen horen, en ons blij doen zingen
Van ’t heil, voor ons bereid.

4

O onze God, o vast vertrouwen
Van ’t allerverste land,
Op Wien al ’s aardrijks einden bouwen
En ’t wijdstgelegen strand.
Gij, die de hemelhoge bergen,
Doet pal staan door Uw kracht,
Zodat zij vloed en stormen tergen,
Gij zijt omgord met macht.

5

’t Gebruis der zee doet Gij bedaren,
Daar Gij haar golven stilt;
’t Rumoer der volken, als der baren,
Betoomt Gij, waar Gij wilt.
Wie d’ einden dezer aard’ bewonen,
Aanschouwen, dag aan dag,
De teek’nen, die Uw almacht tonen,
Met vrees en diep ontzag.

6

Gij geeft, dat d’ uitgang van den morgen
En van den avond juicht,
En dat men U voor al Uw zorgen
Ootmoedig dank betuigt.
Het land bezoekt Gij met Uw zegen,
En, door U droog gemaakt,
Verrijkt Gij ’t groot’lijks weer met regen,
Die tot den wortel raakt.

7

De Godsrivier doet G’ overvloeien,
En op ’t bereide land,
Het nuttig koren welig groeien;
Uw Goddelijke hand,
Maakt d’ opgeploegde voren dronken,
Tot uit de weke kluit,
Waar ’t dropp’lend nat is ingezonken,
Gezegend voedsel spruit.

8

Uw goedheid kroont de jaargetijen
Waar Gij Uw voetstap zet,
Daar doet Gij ’t al ten zegen dijen;
Daar druipt het al van vet.
Het woeste veld vangt zelfs die droppen,
Zijn weide blijft niet droog;
De heuvels steken blijde toppen,
Met lachend groen omhoog.

9

De velden zijn bedekt met kudden;
De dalen zijn bekleed,
Met halmen, die van zwaarte schudden,
En lonen ’s landmans zweet.
Zij juichen, elk op zijne wijze;
Uw eer klimt uit het stof;
Zij zingen, Uwen naam ten prijze,
Uw goedheid en Uw lof.

WDogMQpUOiBQc2FsbSA2NToxCk06IEMKTDogMS80CkM6IGFlb2xpc2NoClM6IMKpIDIwMjIgLSBsaXR1cmdpZS5udQpROiAxNDAKJSVNSURJIHByb2dyYW0gMTYKSzogR20KZDIgZCBkIEcyIGQyIGUgZCBjMiBCMiB6MiB8Cnc6RGUgbG9mLXphbmcga2xpbXQgdWl0IFNpLW9ucyB6YS1sZW4KYzIgZCBjIEIyIEEyIEcyIHoyIHwKdzpUb3QgVSBtZXQgc3RpbCBvbnQtemFnOwpkMiBkIGQgRzIgZDIgZSBkIGMyIEIyIHoyIHwKdzpEYWFyIHphbCBtZW4gVSwgbyBHb2QsIGJlLXRhLWxlbiwKYzIgZCBjIEIyIEEyIEcyIHoyIHwKdzpHZS1sb2YtdGVuLCBkYWcgYmlqIGRhZzsKRzIgQiBCIEEgQSBCIGMgZDIgYzIgejIgfAp3OkdpaiBob29ydCBoZW4sIGRpZSBVdyBoZWlsIHZlci13YWNoLXRlbiwKZDIgZSBkIGMgYyBCMiB6MiB8Cnc6TywgSG9vci1kZXIgZGVyIGdlLWJlw6puOwpkMiBjIEIgQSBGIEcgQSBCMiBBMiB6MiB8Cnc6RGllcyB6dWwtbGVuIGFsLWxlci1sZWkgZ2Utc2xhY2gtdGVuLApCMiBjIEIgQSBBIEcyIHoyIHxdCnc6T290LW1vZS1kaWcgdG90IFUgdHJlw6puLgo=

Onberijmde versie Psalm 65:1-14 (HSV) Bijbelvertaling aanpassen

  1. Een psalm van David, een lied, voor de koorleider.
  2. De lofzang is in stilte tot U, o God, in Sion;
    aan U zal de gelofte nagekomen worden.
  3. U hoort het gebed;
    tot U zal alle vlees komen.
  4. Ongerechtigheden hadden de overhand over mij,
    maar onze overtredingen, die verzoent Ú.
  5. Welzalig is hij die U verkiest en doet naderen,
    die mag wonen in Uw voorhoven;
    wij worden verzadigd met het goede van Uw huis,
    met het heilige van Uw paleis.
  6. Met ontzagwekkende daden antwoordt U ons in gerechtigheid,
    o God van ons heil,
    o vertrouwen van alle einden der aarde
    en van de verre zeeën,
  7. Die de bergen vast doet staan door Zijn kracht,
    Die omgord is met macht;
  8. Die het bruisen van de zeeën stilt,
    het bruisen van hun golven
    en het rumoer van de volken.
  9. Daarom vrezen de bewoners van de einden der aarde voor Uw tekenen;
    waar de morgen gloort en de avond daalt, doet U juichen.
  10. U zag om naar het land en gaf het overvloed,
    U maakt het zeer rijk;
    de beek van God is vol water;
    U geeft hun koren; ja, zó geeft U het:
  11. U doordrenkt zijn omgeploegde aarde,
    U doet water in zijn voren dalen,
    U doorweekt het met regendruppels,
    U zegent zijn gewas.
  12. U kroont het jaar van Uw goedheid,
    Uw voetstappen druipen van overvloed,
  13. zij bedruipen de weiden van de woestijn.
    De heuvels omgorden zich met vreugde.
  14. De velden zijn bekleed met kudden,
    de dalen zijn bedekt met koren;
    zij juichen, ook zingen zij.

Dichter:

David

Samenvatting:

Dankpsalm van het volk van Israël (geschreven door David) voor de vele weldaden van God: Hij verhoort het gebed, schenkt vergeving, mag worden benaderd en Hij waakt en zorgt voor Zijn aarde.

Te zingen bij:

Deze website is nog in ontwikkeling

Momenteel is deze website in bèta-versie beschikbaar. U kunt al wel gebruik maken van deze website. In de komende maanden worden moeilijke en verouderde woorden (in de psalmberijming van 1773 en de klassieke liturgische formulieren) voorzien van uitleg. Help mee en ondersteun deze werkzaamheden.

Psalmen: 62 van 162
Formulieren: 0 van 8
Instrumentorgel
Zangwijzeritmisch
Snelheid100
BijbelvertalingHSV
Tekst16