1

Vergeefs op bouwen toegelegd,
Vergeefs, om ’t huis voltooid te zien,
Gezwoegd, gezweet, o arbeidsliên,
Zo God Zijn hulp aan ’t werk ontzegt,
Vergeefs, o wachters, is uw vlijt,
Zo God niet zelf de stad bevrijdt.

2

Vergeefs van ’s morgens vroeg geslaafd
Tot ’s avonds, en het brood der smart
Gegeten, met een angstig hart;
Vergeefs den gansen dag gedraafd;
God geeft het, hoe een ander schraap’,
Dien Hij bemint, als in den slaap.

3

Zo gaat het elk, dien God bemint.
Wie kind’ren voortbrengt tot Gods eer,
Verkrijgt een erfdeel van den HEER’;
Wie zich met kroost gezegend vindt,
Dat zich oprecht en dankbaar toont,
Ziet al zijn zorg naar wens beloond.

4

Gelijk de pijlen in de hand
Eens sterken helds, die fier en blij,
Door hunne kracht zijn weêrpartij
Doet zwichten voor zijn tegenstand;
Zo zijn ook, tot der vaad’ren vreugd,
De brave zonen hunner jeugd.

5

Welzalig hij, die als een held,
Deez’ pijlen in zijn koker gaart,
En zijne zonen ziet gespaard.
Zij zullen, schaamrood noch ontsteld,
Het hoofd den weêrpartijd’ren biên
En in de poort voor hen niet vliên.

WDogMQpUOiBQc2FsbSAxMjcKTTogQwpMOiAxLzQKQzogaHlwby1taXhvbHlkaXNjaApTOiDCqSAyMDIxIC0gbGl0dXJnaWUubnUKUTogMTQwCiUlTUlESSBwcm9ncmFtIDEKSzogRApBMiBkIGQgYyBBIEIgYyBkMiB6MiB8Cnc6VmVyLWdlZWZzIG9wIGJvdS13ZW4gdG9lLWdlLWxlZ2QsCmQyIGMgQiBBIEcgRjIgRTIgRDIgejIgfAp3OlZlci1nZWVmcywgb20g4oCZdH5odWlzIHZvbC10b29pZCB0ZSB6aWVuLApEMiBFIEYgRyBBIEEgXkcgQTIgejIgfAp3OkdlLXp3b2VnZCwgZ2UtendlZXQsIG8gYXItYmVpZHMtbGnDqm4sCkEyIEIgQiBkIGQgYzIgQjIgQTIgejIgfAp3OlpvIEdvZCBaaWpuIGh1bHAgYWFuIOKAmXR+d2VyayBvbnQtemVndCwKQTIgRyBGIEIgQSBHMiBGMiBFMiB6MiB8Cnc6VmVyLWdlZWZzLCBvIHdhY2gtdGVycywgaXMgdXcgdmxpanQsCkUyIEYgRyBBIEIyIEEyIF5HIEEyIHoyIHxdCnc6Wm8gR29kIG5pZXQgemVsZiBkZSBzdGFkIGJlLXZyaWpkdC4K

Onberijmde versie Psalm 127:1-5 (SV) Bijbelvertaling aanpassen

  1. Een lied Hammaaloth, van Salomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.
  2. Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.
  3. Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning.
  4. Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd.
  5. Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.

Samenvatting:

Eén van de 15 pelgrimsliederen: psalmen die werden gezongen tijdens de bedevaart naar Jeruzalem ter gelegenheid van de grote, jaarlijkse feesten, waarbij de pelgrims optrokken naar de heilige stad, die op een berg ligt. Deze wijsheidspsalm van Salomo wijst erop dat zonder de zegen van God alle menselijke inspanning waardeloos is.

Te zingen bij:

Instrumentpiano
Zangwijzeritmisch
Snelheid100
BijbelvertalingSV
Tekst16