1

Op God alleen betrouw ik in mijn noden.
Hoe zegt gij trots tot mij in mijn verdriet:
“Nu ijlings heen, nu naar ’t gebergt’ gevloden,
Gelijk vol angst een schuwe vogel vliedt.”
Men ziet den boog door goddelozen stellen;
Men spant de pees, men schikt den pijl, en schiet,
Om onverwacht d’ oprechten neer te vellen.

2

Dus wordt gewis, in ’t veilig samenleven,
De grondslag van ’t vertrouwen omgerukt;
Wat heeft het volk, ’t rechtvaardig volk, misdreven?
Maar d’ Opperheer, voor Wien al ’t schepsel bukt,
Ziet van Zijn troon oplettend naar beneden:
Hij, die nooit duldt, dat d’ onschuld wordt verdrukt,
Proeft elks gedrag, zelfs met Zijn ogenleden.

3

D’ alwijze God beproeft wel eens d’ oprechten;
En tuchtigt hen; maar elk, die ’t kwaad bemint.
Die met geweld zijn naaste durft bevechten;
Blijft steeds gehaat, tot hem de wraak verslindt.
God heeft alreeds der bozen straf gezworen;
Straks dalen vuur en strikken; wervelwind
En zwavel neer; die kelk is hun beschoren.

4

Rechtvaardig is de HEERin al Zijn handel;
Hij, die in ’t recht Zijn welbehagen vindt,
Slaat gunstig ’t oog op aller vromen wandel.

WDogMQpUOiBQc2FsbSAxMToxCk06IEMKTDogMS80CkM6IGRvcmlzY2gKUzogwqkgMjAyNCAtIGxpdHVyZ2llLm51ClE6IDE0MAolJU1JREkgcHJvZ3JhbSAxNgpBMiBjMiBCMiBBIEEgQiBjIGQgYyBCMiBBMiB6Mgp3Ok9wIEdvZCBhbC1sZWVuIGJlLXRyb3V3IGlrIGluIG1pam4gbm8tZGVuLgpkMiBjMiBkMiBBIGMgQiBBIEEgXkcgQTIgejIKdzpIb2UgemVndCBnaWogdHJvdHMgdG90IG1paiBpbiBtaWpuIHZlci1kcmlldDoKQTIgQSBHIEYgRiBfQiBBIEcgRiBFMiBEMiB6Mgp3OuKAnE51IGlqLWxpbmdzIGhlZW4sIG51IG5hYXJ+4oCZdCBnZS1iZXJndOKAmSBnZS12bG8tZGVuLApGMiBGIEcgQTIgYzIgQiBBIEIgXmMgZDIgejIKdzpHZS1saWprIHZvbCBhbmdzdCBlZW4gc2NodS13ZSB2by1nZWwgdmxpZWR0LuKAnQpBMiBCIGQgYyBCIEEgQSBHIEYgRzIgRjIgejIKdzpNZW4gemlldCBkZW4gYm9vZyBkb29yIGdvZC1kZS1sby16ZW4gc3RlbC1sZW47CkEyIEcgRiBFMiBFMiBEIEMgRjIgRjIgRTIgejIKdzpNZW4gc3BhbnQgZGUgcGVlcywgbWVuIHNjaGlrdCBkZW4gcGlqbCwgZW4gc2NoaWV0LApBMiBeRyBBIEQgQSBjIEEgPUcgRiBFMiBEMiB6MnxdCnc6T20gb24tdmVyLXdhY2h0IGTigJl+b3AtcmVjaC10ZW4gbmVlciB0ZSB2ZWwtbGVuLgo=

Onberijmde versie Psalm 11:1-7 (HSV) Bijbelvertaling aanpassen

  1. Een psalm van David, voor de koorleider.
    Ik heb tot de HEERE de toevlucht genomen.
    Hoe kunt u dan zeggen tegen mijn ziel:
    Vlucht weg naar uw bergen, als een vogel!
  2. Want zie, de goddelozen spannen de boog,
    zij leggen hun pijlen op de pees
    om in het donker te schieten op de oprechten van hart.
  3. Voorzeker, de fundamenten worden omvergehaald!
    Wat kan de rechtvaardige dan doen?
  4. De HEERE is in Zijn heilig paleis,
    de troon van de HEERE staat in de hemel;
    Zijn ogen doorzien,
    Zijn blikken beproeven de mensenkinderen.
  5. De HEERE beproeft de rechtvaardige,
    maar Zijn ziel haat de goddeloze en wie geweld liefheeft.
  6. Hij zal op de goddelozen valstrikken, vuur en zwavel doen regenen.
    Een verschroeiende stormwind zal het deel van hun beker zijn.
  7. Want de HEERE is rechtvaardig,
    Hij heeft rechtvaardige daden lief.
    De oprechten zullen Zijn aangezicht aanschouwen.

Dichter:

Onberijmd: David, berijmd: Genootschap Laus Deo, Salus Populo

Samenvatting:

Vertrouwenspsalm van David, waarin hij het vertrouwen in God uitdrukt, dat een gelovige kan hebben, zelfs in een tijd van ernstige crisis.

Deze website is nog in ontwikkeling

Momenteel is deze website in bèta-versie beschikbaar. U kunt al wel gebruik maken van deze website. In de komende maanden worden moeilijke en verouderde woorden in de klassieke liturgische formulieren voorzien van uitleg. Help mee en ondersteun deze werkzaamheden.

Psalmen: 150 van 150
Formulieren: 0 van 8
Instrumentorgel
Zangwijzeritmisch
Snelheid100M50
BijbelvertalingHSV
Tekst17