1

God, de HEER’, regeert.
Beeft, gij volken eert,
Eert Zijn hoog bestel,
Die bij Israël,
Tussen Cherubs woont
En Zijn grootheid toont;
Dat zich d’ aard bewege.
Hij is Isrels zege!

2

God, die helpt in nood,
Is in Sion groot.
Aller volken macht,
Niets bij Hem geacht;
Buigt u dan in ’t stof,
En verheft met lof
’t Heilig Opperwezen;
Wilt het eeuwig vrezen.

3

Looft met hart en stem,
Looft de kracht van Hem,
Die het recht bemint,
In Zijn rijksbewind.
’t Recht hebt Gij gestaafd.
’t Geen G’ aan Jakob gaaft,
Toond’ aan Isrels leden
Recht en billijkheden.

4

Roemt nu onzen God.
Knielt op Zijn gebod,
Voor Zijn voetbank neer.
Heilig is de HEER’,
Op Zijn hogen troon.
Amrams grote zoon
En zijn broeder waren
Bij zijn priesterscharen.

5

Ook was Samuel
Op Gods hoog bevel,
Biddend voor Zijn volk,
Als een hemeltolk.
Hij en and’ren meer
Riepen tot den HEER’,
Die met gunstig’ oren
Hun geroep wou horen.

6

Uit Zijn heiligdom
In een wolkkolom,
Heeft Hij Zijne wet
Bij hen ingezet,
Die door ’s HEEREN kracht,
Van hen werd volbracht.
’t Nakroost der Hebreeuwen
Volge dit all’ eeuwen.

7

Gij, met hen begaan,
Hebt hun wens voldaan;
HEER’, die naar Uw woord,
Hun gebed verhoort,
Gij, Gij waart hun lot,
Hun vergevend God;
Schoon z’ ook om hun zonden,
Straffen ondervonden.

8

Geeft dan eeuwig’ eer
Onzen God en HEER’.
Klimt op Sion, toont
Eerbied, waar Hij woont,
Waar Zijn heiligheid
Haren glans verspreidt;
Heilig toch en t’ eren
Is de HEERder heren.

WDogMQpUOiBQc2FsbSA5OQpNOiBDCkw6IDEvNApDOiBoeXBvLWlvbmlzY2gKUzogwqkgMjAyMSAtIGxpdHVyZ2llLm51ClE6IDE0MAolJU1JREkgcHJvZ3JhbSAxCks6IEcKRzIgRDIgRSBGIEcgQCB8Cnc6R29kLCBkZSBIRUVS4oCZLCByZS1nZWVydC4KQjIgQiBjIEEgRzIgejIgfAp3OkJlZWZ0LCBnaWogdm9sLWtlbiBlZXJ0LApkMiBkMiBCIF5jIGQgQCB8Cnc6RWVydCBaaWpuIGhvb2cgYmUtc3RlbCwKQjIgZCBjIGMgQjIgejIgfAp3OkRpZSBiaWogSXMtcmEtw6tsLApkMiBjMiBCIEEgRyBAIHwKdzpUdXMtc2VuIENoZS1ydWJzIHdvb250CkUyIEYgRyBFIEQyIHoyIHwKdzpFbiBaaWpuIGdyb290LWhlaWQgdG9vbnQ7CkQyIEcyIEEgQiBjMiBCIEAgfAp3OkRhdCB6aWNoIGTigJl+YWFyZCBiZS13ZS1nZS4KRzIgQSBCIGMgQTIgRzIgejIgfF0KdzpIaWogaXMgSXMtcmVscyB6ZS1nZSEK

Onberijmde versie Psalm 99:1-9 (SV) Bijbelvertaling aanpassen

  1. De HEERE regeert, dat de volken beven; Hij zit tussen de cherubim; de aarde bewege zich.
  2. De HEERE is groot in Sion, en Hij is hoog boven alle volken.
  3. Dat zij Uw groten en vreselijken Naam loven, die heilig is;
  4. En de sterkte des Konings, die het recht lief heeft. Gij hebt billijkheden bevestigd, Gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.
  5. Verheft den HEERE, onzen God, en buigt u neder voor de voetbank Zijner voeten; Hij is heilig!
  6. Mozes en Aaron waren onder Zijn priesters, en Samuel onder de aanroepers Zijns Naams; zij riepen tot den HEERE, en Hij verhoorde hen.
  7. Hij sprak tot hen in een wolkkolom; zij hebben Zijn getuigenissen onderhouden, en de inzettingen, die Hij hun gegeven had.
  8. O HEERE, onze God! Gij hebt hen verhoord, Gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wraak doende over hun daden.
  9. Verheft den HEERE, onzen God, en buigt u voor den berg Zijner heiligheid; want de HEERE, onze God, is heilig.

Samenvatting:

Een lied dat Gods koningschap over de hele schepping bezingt. In deze psalm wordt vooral de nadruk gelegd op de heiligheid van de Koning en het wonder dat Hij voor Zijn volk Israël een weg heeft gebaand om zonder gevaar in Zijn nabijheid te komen.

Instrumentpiano
Zangwijzeritmisch
Snelheid100
BijbelvertalingSV
Tekst16