1

Ik ben verblijd, wanneer men mij
Godvruchtig opwekt: “Zie wij staan
Gereed, om naar Gods huis te gaan.
Kom, ga met ons, en doe als wij.”
Jeruzalem, dat ik bemin;
Wij treden uwe poorten in;
Daar staan, o Godsstad, onze voeten.
Jeruzalem is wél gebouwd,
Wel saâmgevoegd: wie haar beschouwt,
Zal haar voor ’s Bouwheers kunstwerk groeten.

2

De stammen, naar Gods naam genoemd,
Gaan derwaarts op; waar elk zich buigt
Naar d’ ark, die van Gods gunst getuigt,
Waar elk Zijn naam belijdt en roemt;
Want d’ achtb’re zetel van ’t gericht,
Is daar voor Davids huis gesticht,
De rechterstoelen staan daar binnen.
Bidt, met een algemene stem,
Om vrede voor Jeruzalem.
Het ga hun wél, die u beminnen.

3

Dat vreed’, en aangename rust,
En milde zegen u verblij’;
Dat welvaart in uw vesting zij,
In uw paleizen vreugd’ en lust.
Om vriend en broed’ren spreek ik nu:
“De vrede zij en blijv’ in u,
Nooit moet haar nijd of twist verkloeken.
Om ’s HEEREN huis, in u gebouwd,
Waar onze God Zijn woning houdt,
Zal ik het goede voor u zoeken”.

WDogMQpUOiBQc2FsbSAxMjIKTTogQwpMOiAxLzQKQzogaW9uaXNjaApTOiDCqSAyMDIxIC0gbGl0dXJnaWUubnUKUTogMTQwCiUlTUlESSBwcm9ncmFtIDEKSzogQ20KQjIgQiBjIEIgZSBkMiBjMiBCMiB6MiB8Cnc6SWsgYmVuIHZlci1ibGlqZCwgd2FuLW5lZXIgbWVuIG1pag0KQjIgRyBBIEIyIGMyIEIgQSBHMiB6MiB8Cnc6R29kLXZydWNoLXRpZyBvcC13ZWt0OiDigJxaaWUgd2lqIHN0YWFuDQpCMiBHIEEgQjIgYzIgQiBBIEcyIHoyIHwKdzpHZS1yZWVkLCBvbSBuYWFyIEdvZHMgaHVpcyB0ZSBnYWFuLg0KZTIgZCBjIEIgRyBBMiBjMiBCMiB6MiB8Cnc6S29tLCBnYSBtZXQgb25zLCBlbiBkb2UgYWxzIHdpai7igJ0NCkcyIEIgQiBGIEcgQSBHIEUyIHoyIHwKdzpKZS1ydS16YS1sZW0sIGRhdCBpayBiZS1taW47DQpHMiBCIEIgRiBHIEEgRyBFMiB6MiB8Cnc6V2lqIHRyZS1kZW4gdS13ZSBwb29yLXRlbiBpbjsNCmUyIGQgZSBCIEIgYyBlMiBkIGUyIHoyIHwKdzpEYWFyIHN0YWFuLCBvIEdvZHMtc3RhZCwgb24temUgdm9lLXRlbi4NCkIyIGUgZCBjIGMgQjIgQTIgRzIgejIgfAp3OkplLXJ1LXphLWxlbSBpcyB3w6lsIGdlLWJvdXdkLA0KQjIgZSBkIGMgYyBCMiBBMiBHMiB6MiB8Cnc6V2VsIHNhw6JtLWdlLXZvZWdkOiB3aWUgaGFhciBiZS1zY2hvdXd0LA0KRTIgRSBGIEcyIEIyIEEgRyBGMiBFMiB6MiB8XQp3OlphbCBoYWFyIHZvb3Ig4oCZc35Cb3V3LWhlZXJzIGt1bnN0LXdlcmsgZ3JvZS10ZW4uCg==

Onberijmde versie Psalm 122:1-9 (SV) Bijbelvertaling aanpassen

  1. Een lied Hammaaloth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan.
  2. Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem!
  3. Jeruzalem is gebouwd, als een stad, die wel samengevoegd is;
  4. Waarheen de stammen opgaan, de stammen des HEEREN, tot de getuigenis Israels, om den Naam des HEEREN te danken.
  5. Want daar zijn de stoelen des gerichts gezet, de stoelen van het huis van David.
  6. Bidt om den vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen.
  7. Vrede zij in uw vesting, welvaren in uw paleizen.
  8. Om mijner broederen en mijner vrienden wil, zal ik nu spreken, vrede zij in u!
  9. Om des huizes des HEEREN, onzes Gods wil, zal ik het goede voor u zoeken.

Samenvatting:

Deze psalm behoort tot de serie 'liederen van Sion': liederen die Sion (Jeruzalem) bezingen als bijzondere stad waaraan God Zich heeft verplicht. Deze psalm drukt de vreugde uit die een pelgrim voelt bij het zien van Jeruzalem. In het laatste deel staat een gebed voor vrede in deze stad. Pelgrims zongen deze psalm waarschijnlijk bij aankomst in de stad.

Te zingen bij:

Instrumentpiano
Zangwijzeritmisch
Snelheid100
BijbelvertalingSV
Tekst16