1

Genâ, o God, bescherm mij door Uw hand.
Zie, hoe ik ben omringd aan allen kant.
Zie, hoe de mens zijn boze netten spant,
Om mij daarin te jagen.
Den gansen dag is ’t oog op mij geslagen;
Zijn list legt mij op al mijn wegen lagen;
Zijn macht vergroot mijn ongeluk en plagen;
Ontroert mijn ingewand.

2

Maar word’ ik ooit met bange vrees belaân,
Dan zal op U mijn vast betrouwen staan.
Ik prijs in God Zijn woord; ik steun voortaan
Op Hem; zou vlees mij deren?
Ik vrees hen niet, die mijne smart vermeêren;
Mij, dag op dag, door lastertaal onteren
Mijn woorden in een valsen zin verkeren;
arglistig mij verraân.

3

Zij rotten saâm, en houden bozen raad,
Terwijl mij elk in ’t heim’lijk gadeslaat,
Mijn schreden volgt, en mij naar ’t leven staat;
Door ramp noch klacht bewogen.
Zoudt Gij, o God, nog met Uw heilig’ ogen,
Hun boosheid zien, en straffeloos gedogen?
Neen: stort hen neer door Uw geducht vermogen.
Uw gramschap straff’ hun kwaad.

4

Gij weet, o God, hoe ’k zwerven moet op aard’;
Mijn tranen hebt G’ in Uwe fles vergaard.
Is hun getal niet in Uw boek bewaard,
Niet op Uw rol geschreven?
Gewis, dan zal mijn wreev’le vijand beven,
En, als ik roep, straks rugwaarts zijn gedreven.
Dit weet ik vast; God zal mij nooit begeven;
Niets maakt mijn ziel vervaard.

5

Ik roem in God; ik prijs ’t onfeilbaar woord;
Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord.
’k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord;
Wat sterv’ling zou mij schenden?
Ik heb beloofd, wanneer G’ in mijn ellenden
Mij bijstand boodt, en ’t onheil af zoudt wenden;
Tot U, o God, mijn lofzang op te zenden,
Door ijver aangespoord.

6

Gij hebt mijn ziel beveiligd voor den dood;
Gij richt mijn voet, dat hij zich nimmer stoot;
Gij zijt voor mij een schild in allen nood;
Gij hebt mijn smart verdreven.
Uw dierb’re gunst is m’ altoos bijgebleven.
’k Zal, voor Gods oog, naar Zijn bevelen leven.
Zo word’ door mij Zijn naam altoos verheven;
Zo word’ Zijn lof vergroot.

WDogMQpUOiBQc2FsbSA1NjoxCk06IEMKTDogMS80CkM6IGh5cG8taW9uaXNjaApTOiDCqSAyMDIyIC0gbGl0dXJnaWUubnUKUTogMTQwCiUlTUlESSBwcm9ncmFtIDE2Cks6IEcKRzIgRSBEIEcyIEcgQTIgQiBjMiBCMiBBMiB6MiB8Cnc6R2UtbsOiLCBvIEdvZCwgYmUtc2NoZXJtIG1paiBkb29yIFV3IGhhbmQuCkcyIEEgQSBCMiBkMiBkIGMgQTIgYzIgQjIgejIgfAp3OlppZSwgaG9lIGlrIGJlbiBvbS1yaW5nZCBhYW4gYWwtbGVuIGthbnQuCkEyIEIgQSBGMiBGMiBHIEYgRSBFIEQyIHoyIHwKdzpaaWUsIGhvZSBkZSBtZW5zIHppam4gYm8temUgbmV0LXRlbiBzcGFudCwKZDIgYyBCIEEgRyBBMiBHMiB6MiB8Cnc6T20gbWlqIGRhYS1yaW4gdGUgamEtZ2VuLgpHMiBjIGMgQjIgQTIgQiBjIGQgZCBlMiBkMiB6MiB8Cnc6RGVuIGdhbi1zZW4gZGFnIGlzIOKAmXR+b29nIG9wIG1paiBnZS1zbGEtZ2VuOwpkMiBHIEEgQjIgRzIgQSBCIGMgQiBBMiBCMiB6MiB8Cnc6WmlqbiBsaXN0IGxlZ3QgbWlqIG9wIGFsIG1pam4gd2UtZ2VuIGxhLWdlbjsKQjIgQiBCIEEyIEIyIGMgQiBBIEcgRjIgRDIgejIgfAp3Olppam4gbWFjaHQgdmVyLWdyb290IG1pam4gb24tZ2UtbHVrIGVuIHBsYS1nZW47CmQyIGMgQiBBIEEgRzIgejIgfF0KdzpPbnQtcm9lcnQgbWlqbiBpbi1nZS13YW5kLgo=

Onberijmde versie Psalm 56:1-14 (HSV) Bijbelvertaling aanpassen

  1. Een gouden kleinood van David, voor de koorleider, op ‘Duif op verre eiken’; toen de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath.
  2. Wees mij genadig, o God, want de sterveling wil mij opslokken;
    de hele dag onderdrukt mij de bestrijder.
  3. Mijn belagers willen mij de hele dag opslokken,
    want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!
  4. Op de dag dat ik vrees,
    vertrouw ík op U.
  5. In God prijs ik Zijn woord,
    op God vertrouw ik, ik vrees niet;
    wat zou een schepsel mij kunnen doen?
  6. De hele dag verdraaien zij mijn woorden;
    al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade.
  7. Zij scholen samen, zij verbergen zich;
    zij letten op mijn voetstappen,
    omdat zij loeren op mijn leven.
  8. Zouden zij bij zoveel onrecht vrijuit gaan?
    Stort de volken neer in toorn, o God!
  9. Ú hebt mijn omzwervingen geteld;
    doe mijn tranen in Uw kruik.
    Staan zij niet in Uw register?
  10. Dan zullen mijn vijanden terugdeinzen,
    op de dag dat ik roep.
    Dit weet ik: dat God met mij is.
  11. In God prijs ik het woord,
    in de HEERE prijs ik het woord.
  12. Ik vertrouw op God, ik vrees niet;
    wat zou de mens mij kunnen doen?
  13. O God, op mij rusten geloften, aan U gedaan;
    ik zal ze aan U met dankzegging nakomen.
  14. Want U hebt mijn ziel gered van de dood,
    hebt U niet mijn voeten voor struikelen behoed? –
    zodat ik voor Gods aangezicht zal wandelen
    in het licht van de levenden.

Dichter:

David

Samenvatting:

Smeekgebed van David, toen de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath (1 Sam. 21:11-16). Tegenover zijn vele bestrijders vertrouwt de psalmdichter op God, die hem gered heeft van de dood.

Te zingen bij:

Deze website is nog in ontwikkeling

Momenteel is deze website in bèta-versie beschikbaar. U kunt al wel gebruik maken van deze website. In de komende maanden worden moeilijke en verouderde woorden (in de psalmberijming van 1773 en de klassieke liturgische formulieren) voorzien van uitleg. Help mee en ondersteun deze werkzaamheden.

Psalmen: 83 van 162
Formulieren: 0 van 8
Instrumentorgel
Zangwijzeritmisch
Snelheid100M50
BijbelvertalingHSV
Tekst16