1

Waartoe u dus beroemd in ’t kwade,
Vermeet’le dwingeland?
Ik steun gerust op Gods genade,
En trouwen onderstand;
Zijn goedheid duurt den gansen dag;
Zijn almacht wekt ontzag.

2

Uw tong, die toelegt om te schaden,
En als een scheermes snijdt,
Durft zich met snood bedrog beraden,
Uit bitt’ren wrok en nijd.
Gij mint het onrecht; haat de deugd;
De logen baart u vreugd’.

3

Gij grieft mij door uw schamp’re woorden,
Door taal, die mij verbaast.
Gij tracht mij door uw tong te moorden;
Maar beef; gij wordt welhaast
Door God, die uw gedrag verfoeit,
Voor eeuwig uitgeroeid.

4

God zal u voor Zijn wraak doen bukken,
En door Zijn sterke hand,
U uit uw tent en schuilplaats rukken;
Ontwort’len uit uw stand.
De vromen zullen, vrij van nood,
Dan lachen om uw dood.

5

“Zie”, zal men zeggen, “zie den dwaze,
Die, op zijn rijkdom stout,
Ons wilde door zijn macht verbazen,
Op God niet heeft vertrouwd;
Zijn sterkte kreeg hij door geweld.
Nu ligt hij neergeveld”.

6

Maar ik zal als d’ olijfboom groeien,
In ’t huis des groten Gods;
Ik zal in eer en godsvrucht bloeien.
God is mijn steun en rots;
Op Zijne gunst, mij toegezeid,
Vertrouw ’k in eeuwigheid.

7

Mijn God, U zal ik eeuwig loven,
Omdat Gij ’t hebt gedaan.
’k Verwacht Uw trouwe hulp van boven;
Uw waarheid zal bestaan.
Uw naam is voor ’t oprecht gemoed,
Van al Uw gunstvolk goed.

WDogMQpUOiBQc2FsbSA1MjoxCk06IEMKTDogMS80CkM6IGlvbmlzY2gKUzogwqkgMjAyMiAtIGxpdHVyZ2llLm51ClE6IDE0MAolJU1JREkgcHJvZ3JhbSAxOApLOiBECkEyIEEyIEIgYyBkMiBkIGMgQjIgQTIgQCB8Cnc6V2Fhci10b2UgdSBkdXMgYmUtcm9lbWQgaW5+4oCZdCBrd2EtZGUsCkYyIEIgQiBBIF5HIEEyIHoyIHwKdzpWZXItbWVldOKAmS1sZSBkd2luLWdlLWxhbmQ/CkYyIEcyIEEyIEYgRCBHIEYgRTIgRDIgQCB8Cnc6SWsgc3RldW4gZ2UtcnVzdCBvcCBHb2RzIGdlLW5hLWRlLApBMiBHIEYgRCBFIEYyIHoyIHwKdzpFbiB0cm91LXdlbiBvbi1kZXItc3RhbmQ7CkYyIEQgRSBGIEEgRzIgRjIgRSBAIHwKdzpaaWpuIGdvZWQtaGVpZCBkdXVydCBkZW4gZ2FuLXNlbiBkYWc7CkEgRyBGIEQyIEUyIEQyIHoyIHxdCnc6WmlqbiBhbC1tYWNodCB3ZWt0IG9udC16YWcuCg==

Onberijmde versie Psalm 52:1-10 (HSV) Bijbelvertaling aanpassen

  1. Een onderwijzing van David, voor de koorleider;
  2. Waarom beroemt u zich op het kwaad, geweldenaar?
    Gods goedertierenheid duurt toch de hele dag!
  3. Uw tong bedenkt enkel schadelijke dingen,
    als een geslepen scheermes dat bedrieglijk werkt.
  4. U hebt het kwaad lief boven het goede,
    de leugen boven het spreken van recht.
  5. U hebt lief alle verslindende woorden
    en een tong vol bedrog.
  6. Maar God zal u voor altijd afbreken;
    Hij zal u grijpen en wegrukken uit de tent,
    ja, u ontwortelen uit het land van de levenden.
  7. De rechtvaardigen zullen het zien en ontzag hebben;
    zij zullen om hem lachen en zeggen:
  8. Zie, de man die God niet tot zijn kracht maakte,
    maar op zijn grote rijkdom vertrouwde;
    hij was sterk geworden door zijn schadelijk handelen.
  9. Maar ik zal zijn als een bladerrijke olijfboom
    in het huis van God;
    ik vertrouw op Gods goedertierenheid,
    eeuwig en altijd.

Dichter:

David

Samenvatting:

Deze psalm van David stelt het slechte handelen van de zondaars aan de kaak, waartegenover de juiste houding van de rechtvaardigen staat. Geschreven na aanleiding van Davids vlucht voor Saul, die leidde tot de slachting van de priesters te Nob door Doëg (1 Sam. 22:9-19).

Deze website is nog in ontwikkeling

Momenteel is deze website in bèta-versie beschikbaar. U kunt al wel gebruik maken van deze website. In de komende maanden worden moeilijke en verouderde woorden (in de psalmberijming van 1773 en de klassieke liturgische formulieren) voorzien van uitleg. Help mee en ondersteun deze werkzaamheden.

Psalmen: 43 van 162
Formulieren: 0 van 8
Instrumentorgel
Zangwijzeritmisch
Snelheid100
BijbelvertalingHSV
Tekst16