1

Wil mij, wanneer ik roep, verhoren,
O God, die mijne rechtzaak redt!
Gij hebt in angst mij hulp beschoren
En mij doen gaan in ruime sporen.
Betoon genâ; hoor mijn gebed!
Wat moogt gij, mannen, toch beginnen?
Zal steeds tot schande zijn mijn eer?
Zult gij dan d’ ijdelheid beminnen
En t’ enemaal beroofd van zinnen,
De leugen zoeken, keer op keer?

2

Herinnert u, gij roekelozen,
Dat zich de HEEReen gunstgenoot
Heeft afgezonderd en verkozen!
Hij doet mij nooit van schaamte blozen,
Die, als ik riep, mij bijstand bood.
Zijt gij beroerd, ontsteld, verlegen,
Zo zondigt niet; verzaakt uw wil;
Spreekt in uw hart; herdenkt uw wegen,
Op ’t eenzaam bedde neergezegen,
En weest in all’ ontmoeting stil.

3

Dan zult gij recht naar ’t outer treden,
En off’ren God een rein gemoed,
Het offer der gerechtigheden,
En ’t zuiv’re reukwerk der gebeden;
Betrouwt op Hem, want Hij is goed.
Daar velen twijfelmoedig vragen;
“Wie zal ons ’t goede toch doen zien?”
Doe Gij, o HEER’, na ’t angstig klagen,
Ons ’t lieflijk licht Uws aanschijns dagen,
En wil Uw rijke gunst ons biên.

4

Gij hebt m’ in ’t hart meer vreugd gegeven,
Dan and’ren smaken in een tijd,
Als zij, door aards geluk verheven,
Bij koorn en most wellustig leven,
ln hunnen overvloed verblijd,
Ik zal gerust in vrede slapen,
En liggen ongestoord terneer;
Want Gij alleen, mijn schild en wapen,
Schoon ’t onheil schijnt voor mij geschapen,
Zult mij doen zeker wonen, HEER’.

WDogMQpUOiBQc2FsbSA0Ck06IEMKTDogMS80CkM6IGFlb2xpc2NoClM6IMKpIDIwMjIgLSBsaXR1cmdpZS5udQpROiAxNDAKJSVNSURJIHByb2dyYW0gMTgKSzogR20KQjIgQiBCIEEgRiBHIEEgQjIgQTIgejIgfAp3OldpbCBtaWosIHdhbi1uZWVyIGlrIHJvZXAsIHZlci1oby1yZW4sDQpCMiBjMiBHMiBCIEEgQjIgQTIgRzIgejIgfAp3Ok8gR29kLCBkaWUgbWlqLW5lIHJlY2h0LXphYWsgcmVkdCENCmQyIGQgZCBHMiBkMiBjIEEgQjIgQTIgejIgfAp3OkdpaiBoZWJ0IGluIGFuZ3N0IG1paiBodWxwIGJlLXNjaG8tcmVuDQpGMiBHIEEgQiBkIGMgQiBjMiBCMiB6MiB8Cnc6RW4gbWlqIGRvZW4gZ2FhbiBpbiBydWktbWUgc3BvLXJlbi4NCkIyIGMyIEIyIEcgQSBCMiBBMiBHMiB6MiB8Cnc6QmUtdG9vbiBnZS1uw6I7IGhvb3IgbWlqbiBnZS1iZWQhDQpkMiBkIGQgRzIgZDIgYyBBIEIyIEEyIHoyIHwKdzpXYXQgbW9vZ3QgZ2lqLCBtYW4tbmVuLCB0b2NoIGJlLWdpbi1uZW4/DQpCMiBkIGQgYyBBIGMyIEIyIEEyIHoyIHwKdzpaYWwgc3RlZWRzIHRvdCBzY2hhbi1kZSB6aWpuIG1pam4gZWVyPw0KZDIgZCBkIGMgRiBHIEEgQjIgQTIgejIgfAp3Olp1bHQgZ2lqIGRhbiBk4oCZfmlqLWRlbC1oZWlkIGJlLW1pbi1uZW4NCkIyIEIgQiBHIEcgQSBCIGMyIEIyIHoyIHwKdzpFbiB04oCZfmUtbmUtbWFhbCBiZS1yb29mZCB2YW4gemluLW5lbiwNCmQyIGMgQiBBIEcgQTIgQTIgRzIgejIgfF0KdzpEZSBsZXUtZ2VuIHpvZS1rZW4sIGtlZXIgb3Aga2Vlcj8K

Onberijmde versie Psalm 4:1-9 (HSV) Bijbelvertaling aanpassen

  1. Een psalm van David, voor de koorleider, bij snarenspel.
  2. Als ik roep, verhoor mij,
    o God van mijn gerechtigheid!
    In de benauwdheid hebt U ruimte voor mij gemaakt.
    Wees mij genadig en luister naar mijn gebed.
  3. Aanzienlijken, hoelang zult u mijn eer te schande maken?
    Hoelang zult u het lege liefhebben, de leugen zoeken?
  4. Weet toch: de HEERE heeft Zich een gunsteling afgezonderd;
    de HEERE hoort als ik tot Hem roep.
  5. Wees ontzet, maar zondig niet;
    spreek in uw hart wanneer u op uw slaapplaats ligt, en wees stil.
  6. Breng offers van gerechtigheid
    en vertrouw op de HEERE.
  7. Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien?
    Verhef over ons het licht van Uw aangezicht, HEERE!
  8. U hebt mij meer blijdschap in het hart gegeven
    dan ten tijde dat zij hun koren en hun nieuwe wijn in overvloed hadden.
  9. In vrede zal ik gaan liggen en weldra slapen,
    want U alleen, HEERE, doet mij veilig wonen.

Samenvatting:

David, benauwd door vijanden, bidt God om genadige verhoring en roept zijn tegenstanders op tot bekering. Deze psalm combineert de persoonlijke klaagzang met vertrouwen op God.

Te zingen bij:

Deze website is nog in ontwikkeling

Momenteel is deze website in bèta-versie beschikbaar. U kunt al wel gebruik maken van deze website. In de komende maanden worden moeilijke en verouderde woorden (in de psalmberijming van 1773 en de klassieke liturgische formulieren) voorzien van uitleg. Help mee en ondersteun deze werkzaamheden.

Instrumentorgel
Zangwijzeritmisch
Snelheid100
BijbelvertalingHSV
Tekst16