1

Der goden God verheft Zijn stem met macht,
En roept deez’ aard’, vanwaar de zon, met pracht,
In ’t oosten rijst, tot waar z’ in zee verdwijnt.
Uit Sion, zo volkomen schoon, verschijnt
God vol van glans, om op Zijn troon te stijgen;
Hij, onze God, Hij komt en zal niet zwijgen.

2

Verterend vuur gaat voor Zijn aanzicht heen;
Een felle storm verzelt alom Zijn treên.
Nu Hij Zijn volk zal richten voor elks oog,
Roept Hij tot aard’ en hemel van omhoog:
“Verzamelt Mij Mijn dierb’re gunstgenoten,
Die Mijn verbond op ’t heilig offer sloten”.

3

De heem’len zijn getuigen van Zijn recht,
Want God is Zelf de Rechter, die ’t beslecht.
“Hoor gij, Mijn volk, hoor, Isrel, daar Ik tot
U spreek en roep; Ik, God, Ik ben uw God!
’k Bestraf u niet vanwege d’ offeranden,
Daar die gestaag voor Mij op ’t outer branden”.

4

’k Zal uit uw huis geen var, noch uit uw kooi
Voor ’t brandaltaar begeren bok of ooi;
Want al ’t gediert’ der wouden is het Mijn’.
Wat beesten er op duizend bergen zijn,
Wat vogels ooit rondom hun toppen vlogen,
Het wild des velds, ’t is al in Mijn vermogen.

5

Nooit klaagd’ Ik ’t u, indien Ik honger had,
Want d’ aard, is Mijn’ en al wat zij bevat.
Zou stierenvlees, of wat ooit mensen voedt,
Mijn spijze zijn? Mijn drank der bokken bloed?
Neen, offert God uw dankb’re lofgezangen;
’t Geen gij belooft, moet d’ Allerhoogst’ ontvangen.

6

Roept in den nood tot Mij, uw God en HEER’,
Dan help Ik u, en gij geeft Gode d’ eer.
Maar Zijne taal tot goddelozen luidt:
Waarom toch spreekt gij Mijne wetten uit?
Wat roemt gij u als Mijn verbondelingen,
Daar g’ U door woord noch straffen laat bedwingen?

7

Ziet gij een dief, gij loopt met hem en steelt;
Gij zijt het, die met overspelers deelt,
In ’t vuil vermaak van hun ontuchtigheên!
Uw mond is vol van ongebonden reên,
Uw snode tong is afgericht op liegen,
En steeds gewend aan veinzen en bedriegen.

8

Gij zit, gij spreekt van uwen broeder kwaad;
Uw moeders zoon vervolgt gij bits met smaad;
En lastert hem: dit doet gij vrij en blij.
Ik zwijg, dies meent ge, dat Ik ben als gij.
’k Zal over u een heilig vonnis vellen,
En uw gedrag u klaar voor ogen stellen.

9

Verstaat dit toch, vergeters van Gods wet,
Opdat Ik niet verscheur’ en niemand redd’.
Wie ’t dankbaar hart Mij biedt ter offerand’,
Die geeft Mij eer; en elk, die met verstand
Zijn wegen richt, mag op Mijn gunst vertrouwen.
Ik zal Gods heil hem eeuwig doen aanschouwen.

WDogMQpUOiBQc2FsbSA1MApNOiBDCkw6IDEvNApDOiBkb3Jpc2NoClM6IMKpIDIwMjIgLSBsaXR1cmdpZS5udQpROiAxNDAKJSVNSURJIHByb2dyYW0gMTgKSzogRApCMiBBIEcgRjIgQTIgQiBBIEcgRiBFMiB6MiB8Cnc6RGVyIGdvLWRlbiBHb2QgdmVyLWhlZnQgWmlqbiBzdGVtIG1ldCBtYWNodCwKRTIgQiBCIF5BMiBCMiBjIGQgYyBjIEIyIHoyIHwKdzpFbiByb2VwdCBkZWV64oCZIGFhcmTigJksIHZhbi13YWFyIGRlIHpvbiwgbWV0IHByYWNodCwKQjIgQiBCIEEyIEYyIEcgQiBBIEcgRjIgejIgfAp3OkluIOKAmXR+b29zLXRlbiByaWpzdCwgdG90IHdhYXIgeuKAmX5pbiB6ZWUgdmVyLWR3aWpudC4KQjIgQiBCIEEyIEYyIEcgQiBBIEcgRiBAIHwKdzpVaXQgU2ktb24sIHpvIHZvbC1rby1tZW4gc2Nob29uLCB2ZXItc2NoaWpudApBIEcgRiBFMiBeRDIgRSBGIEcgQSBCMiBGMiB6MiB8Cnc6R29kIHZvbCB2YW4gZ2xhbnMsIG9tIG9wIFppam4gdHJvb24gdGUgc3Rpai1nZW47CkYyIEEgQSBCMiBkMiBjIEIgQSBHIEYyIEUyIHoyIHxdCnc6SGlqLCBvbi16ZSBHb2QsIEhpaiBrb210IGVuIHphbCBuaWV0IHp3aWotZ2VuLgo=

Onberijmde versie Psalm 50:1-23 (HSV) Bijbelvertaling aanpassen

  1. Een psalm van Asaf.
    De God der goden, de HEERE, spreekt,
    en roept de aarde,
    vanwaar de zon opkomt
    tot waar hij ondergaat.
  2. Uit Sion, de volmaakte schoonheid,
    verschijnt God blinkend.
  3. Onze God komt en zal niet zwijgen;
    voor Zijn aangezicht verteert een vuur,
    rondom Hem stormt het geweldig.
  4. Hij roept tot de hemel daarboven
    en tot de aarde, om over Zijn volk recht te spreken:
  5. Verzamel Mij Mijn gunstelingen,
    die een verbond met Mij sluiten door offers.
  6. De hemel verkondigt Zijn gerechtigheid;
    want God Zelf is Rechter.
  7. Luister, Mijn volk, en Ik zal spreken,
    Israël, Ik zal onder u getuigen:
    Ik, God, ben uw God.
  8. Niet om uw offers zal Ik u straffen,
    want uw brandoffers houd Ik voortdurend voor ogen.
  9. Toch hoef Ik uit uw huis geen jonge stier te nemen
    of bokken uit uw kooien,
  10. want al de wilde dieren in het woud zijn van Mij,
    de dieren op duizend bergen.
  11. Ik ken alle vogels van de bergen,
    het wild van het veld is bij Mij.
  12. Als Ik honger had, Ik zou het u niet zeggen;
    want van Mij is de wereld en al wat zij bevat.
  13. Zou Ik stierenvlees eten
    of bokkenbloed drinken?
  14. Offer dank aan God
    en kom aan de Allerhoogste uw geloften na.
  15. Roep Mij aan in de dag van benauwdheid;
    Ik zal u eruit helpen en u zult Mij eren.
  16. Maar tegen de goddeloze zegt God:
    Hoe durft u over Mijn verordeningen te vertellen
    en Mijn verbond in uw mond te nemen?
  17. Want ú haat de vermaning
    en werpt Mijn woorden achter u weg.
  18. Ziet u een dief, dan loopt u met hem mee;
    en uw deel is met overspelers.
  19. Uw mond gebruikt u voor het kwaad,
    uw tong smeedt bedrog aan bedrog.
  20. U zit daar en spreekt kwaad tegen uw broeder,
    u werpt een smet op de zoon van uw moeder.
  21. Zulke dingen doet u en Ik zwijg;
    u denkt dat Ik net zo ben als u.
    Ik zal u straffen en uw zonden
    voor uw ogen uitstallen.
  22. Begrijp dit toch, u die God vergeet;
    anders verscheur Ik, en er is niemand die redt.
  23. Wie dank offert, zal Mij eren;
    wie de rechte weg gaat, zal Ik Gods heil doen zien.

Samenvatting:

Profetische aanmaning van Asaf (een koorleider van David) die de formalistische religie van Israël aan het licht brengt. Offers zijn geen 'omkoopmiddel' om God tevreden te stellen, de echte aanbidding en gehoorzaamheid aan God en Zijn wet zijn belangrijker.

Te zingen bij:

Deze website is nog in ontwikkeling

Momenteel is deze website in bèta-versie beschikbaar. U kunt al wel gebruik maken van deze website. In de komende maanden worden moeilijke en verouderde woorden (in de psalmberijming van 1773 en de klassieke liturgische formulieren) voorzien van uitleg. Help mee en ondersteun deze werkzaamheden.

Instrumentorgel
Zangwijzeritmisch
Snelheid100
BijbelvertalingHSV
Tekst16