1

Looft God, den trouwen Opperheer!
Geeft, geeft Hem vrolijk roem en eer,
Wiens goedheid perken kent, noch palen.
Maar wie, hoe hoog verlicht hij zij,
Wie kan Zijn mogendheên verhalen,
Zijn lof verbreiden naar waardij?

2

Welzalig elk, die ’t recht betracht,
Die, t’ allen tijd’, Zijn wetten acht.
O HEER’, laat mij, naar ’t welbehagen,
Dat G’ in Uw volk steeds hebt getoond,
Ook roem op Uw bescherming dragen,
En met Uw zegen zijn bekroond.

3

Geef dat mijn oog het goed’ aanschouw’,
’t Welk Gij, uit onbezweken trouw,
Uw uitverkoor’nen toe wilt voegen;
Opdat ik U mijn rotssteen noem’,
En delend in Uws volks genoegen,
Mij met Uw erfdeel blij beroem’.

4

Wij hebben God op ’t hoogst misdaan;
Wij zijn van ’t heilspoor afgegaan.
Ja, wij en onze vaad’ren tevens,
Verzuimend’ alle trouw en plicht,
Vergramden God, den God des levens,
Die zoveel wond’ren had verricht.

5

Onz’ ouders, in Egypteland,
Beveiligd door Zijn sterke hand,
Vergaten al Zijn gunstbewijzen;
Zij morden aan de Rode Zee,
In plaats van ’s HEEREN gunst te prijzen;
Dies dreigde hen een zwaarder wee.

6

Doch om Zijns naams wil, om Zijn macht
Te tonen aan dit dwaas geslacht,
Schold Hij de zee, dat z’ uit moest drogen;
Hij deed hen langs haar gronden gaan,
En toond’ aan ’s vijands heir ’t vermogen,
Dat hun in nood had bijgestaan.

7

De waat’ren keerden in hun kolk;
Waar paard en ruiter, vorst en volk,
Tot één toe, in den vloed versmoorden.
Toen had gans Isrel juichensstof,
Toen, toen geloofden z’ aan Gods woorden,
Toen zong al ’t volk des Hoogsten lof.

8

Maar zij vergaten ’s HEEREN werk;
Zij stelden hunnen God een perk.
Zij wilden in Hem niet berusten,
Maar durfden in de wildernis,
Zijn macht beproeven, door hun lusten,
En ’t hunk’ren naar Egyptes dis.

9

Toen heeft Hij hen met vlees gevoed.
Maar zond hun ziel, bij d’ overvloed,
Een magerheid, die z’ uit deed teren.
Zij dorsten Mozes ’t hoog bewind,
En Aron ’t priesterambt des HEEREN,
Benijden, door hun waan verblind.

10

Maar ’t aardrijk opende zijn mond,
Waarmee ’t Abirams volk verslond,
En Dathans snode vloekverwanten.
Een vuurgloed stak de tenten aan
Van ’t godd’loos rot aan alle kanten,
En deed het door de vlam vergaan.

11

Zij maakten zich, den HEERten spot,
Een kalf bij Horeb tot een god,
Waarvoor zij zich eerbiedig bogen.
Een os, die gras eet op het veld,
Een beeld, o gruwel in Gods ogen,
Werd toen aan Hem gelijk gesteld.

12

Hun hart vergat den Opperheer,
Hun dierb’ren Heiland, die weleer
Hen redde van d’ Egyptenaren;
Die wond’ren deed in ’t land van Cham,
Zich vrees’lijk maakt, in ’t ruim der baren,
En Faro ’t levenslicht benam.

13

Toen dreigde God hen met den dood,
En nimmer waren z’ in dien nood
Zijn hooggeduchte wraak ontweken,
Zo Mozes, Zijn verkoren held,
Zich niet bij God, met ernstig smeken,
Voor hen had in de bres gesteld.

14

Zij hebben ’t langgewenste land
Versmaad uit strafbaar onverstand,
En niet geloofd aan ’s HEEREN woorden.
Zij morden daag’lijks in hun tent,
Dewijl zij naar Zijn stem niet hoorden,
Hoe duid’lijk ook aan hen bekend.

15

Dies zwoer d’ Almachtige, dat Hij
Die snoden in de woestenij
Zou nedervellen en verderven;
Ja, dat Hij hen, met al hun zaad,
Zou bij de heid’nen om doen zwerven,
Van elk gevloekt, van elk versmaad.

16

Zij hebben zich voor ’t vloekaltaar,
Verleid door Moabs docht’renschaar,
Tot Baäl-Peors dienst begeven.
Zij aten ’s afgods offerand’
Doch ’t kostt’ aan duizenden het leven;
Gods wraak ontstak in fellen brand.

17

Toen weerde Pinehas den straf,
Die moedig ’t recht voldoening gaf,
En ’t eerloos bloed langs d’ aard deed stromen.
Die daad, ten zoen voor ’t volk volbracht
Deed hem een eeuwig’ eer bekomen,
Die stand hield bij zijn nageslacht.

18

Zij tergden, twistend Gods genâ,
Bij ’t wonderwater Meriba
Verbitterden den knecht des HEEREN.
Hij sprak in onbedachtzaamheid;
Dies moest hij ’t vruchtbaar land ontberen,
Den gansen volke toegezeid.

19

Zij spaarden volken, tot Gods hoon,
Die Hij bevolen had te doôn,
En aan der heid’nen stam verbonden,
Vervielen zij tot afgodsdienst,
En wrochten door gelijke zonden
Zichzelf een strik op ’t onvoorzienst”.

20

Men zag hen zelfs, door drift verblind,
Hun dierbaar kroost, hoe teer bemind,
Den duivelen ten offer brengen.
Men zag hen, trouw’loos en verwoed,
Op Kanâns vloekaltaren plengen
Der kinderen onschuldig bloed.

21

Die onnatuurlijk’ offerand’,
Die bloedschuld, bracht een smet op ’t land;
Zij werden onrein door hun daden,
Door hoererij en vuil gedrag.
Zij durfden Isrels God versmaden,
Maar beelden toonden zij ontzag.

22

Dit alles spoorde God tot wraak;
Zijn volk, Zijn erf, Zijn hoogst vermaak,
Werd nu een gruwel in Zijn ogen;
Hij gaf hen in der heid’nen macht,
Waardoor zij zonder mededogen,
In slaafse keet’nen zijn gebracht.

23

Hun vijand heeft hen wreed verdrukt;
Zij lagen jammerlijk gebukt;
En schoon d’ Algoedheid, op hun smeken,
Hun rampen dikwijls heeft geweerd,
Zij zijn weer telkens afgeweken,
En door hun zonden uitgeteerd.

24

Nochtans was God met hen begaan;
Hij zag hun angst, hun tranen aan,
En hunner hateren verwoedheid;
Hij dacht aan Zijn gestaafd verbond,
En had berouw, naar al Zijn goedheid,
Meedogendheid met Isrels wond.

25

Dies hebt G’, o God, hun last verlicht,
Zelfs voor huns vijands aangezicht.
Verlos ons ook, als onze vaad’ren;
Wil ons, nog overal verspreid,
Genadig weer bijeen vergaad’ren;
Zo word’ Uw naam en roem verbreid.

26

Geloofd zij Isrels grote God!
Zijn gunst schenk’ ons dit heilgenot;
Zo zullen wij Zijn goedheid danken.
Dat al wat leeft Hem eeuwig eer’!
Al ’t volk zegg’ “Amen” op mijn klanken;
Juich aarde, loof den Opperheer!

WDogMQpUOiBQc2FsbSAxMDY6MQpNOiBDCkw6IDEvNApDOiBoeXBvLWFlb2xpc2NoClM6IMKpIDIwMjIgLSBsaXR1cmdpZS5udQpROiAxNDAKJSVNSURJIHByb2dyYW0gMTgKSzogRApkMiBjMiBCIGQyIGMgQiBCIEEyIHoyIHwKdzpMb29mdCBHb2QsIGRlbiB0cm91LXdlbiBPcC1wZXItaGVlciEKQTIgQiBkIGMgQSBkMiBjMiBCMiB6MiB8Cnc6R2VlZnQsIGdlZWZ0IEhlbSB2cm8tbGlqayByb2VtIGVuIGVlciwKQjIgZCBjIEIyIEEyIEcgRiBFMiBEMiB6MiB8Cnc6V2llbnMgZ29lZC1oZWlkIHBlci1rZW4ga2VudCwgbm9jaCBwYS1sZW4uCkQyIEYgRyBBMiBGMiBHIEcgRjIgejIgfAp3Ok1hYXIgd2llLCBob2UgaG9vZyB2ZXItbGljaHQgaGlqIHppaiwKRjIgQSBCIGMyIEEyIGQgYyBCMiBBMiB6MiB8Cnc6V2llIGthbiBaaWpuIG1vLWdlbmQtaGXDqm4gdmVyLWhhLWxlbiwKQTIgZCBkIEIgQSBkMiBjMiBCMiB6MiB8XQp3Olppam4gbG9mIHZlci1icmVpLWRlbiBuYWFyIHdhYXItZGlqPwo=

Onberijmde versie Psalm 106:1-48 (HSV) Bijbelvertaling aanpassen

  1. Halleluja!
    Loof de HEERE, want Hij is goed,
    want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
  2. Wie zal de machtige daden van de HEERE verwoorden,
    al Zijn lof verkondigen?
  3. Welzalig zij die zich aan het recht houden,
    die te allen tijde gerechtigheid doen.
  4. Denk aan mij, HEERE, naar het welbehagen in Uw volk;
    zie naar mij om met Uw heil,
  5. zodat ik het goede van Uw uitverkorenen mag zien,
    mij mag verblijden met de blijdschap van Uw volk,
    mij mag beroemen met Uw eigendom.
  6. Wij hebben gezondigd, evenals onze vaderen,
    wij hebben ons misdragen, wij hebben goddeloos gehandeld.
  7. Onze vaderen in Egypte
    hebben Uw wonderen niet opgemerkt;
    zij hebben niet gedacht aan Uw talrijke blijken van goedertierenheid,
    maar waren ongehoorzaam bij de zee, de Schelfzee.
  8. Maar Hij verloste hen omwille van Zijn Naam,
    om Zijn macht bekend te maken.
  9. Hij bestrafte de Schelfzee, zodat ze droogviel;
    Hij deed hen door de diepe wateren gaan als door een woestijn.
  10. Hij verloste hen uit de hand van de hater,
    Hij bevrijdde hen uit de hand van de vijand.
  11. Water bedolf hun tegenstanders,
    niet één van hen bleef over.
  12. Toen geloofden zij Zijn woorden,
    zij zongen Zijn lof.
  13. Maar zij vergaten spoedig Zijn werken.
    Zij wachtten niet op Zijn raad,
  14. en werden met gulzigheid bevangen in de woestijn;
    zij stelden God op de proef in de wildernis.
  15. Toen gaf Hij hun wat zij begeerden,
    maar henzelf deed Hij uitteren.
  16. Zij werden jaloers op Mozes in het kamp,
    en op Aäron, de heilige van de HEERE.
  17. De aarde opende zich en verslond Dathan
    en bedolf de aanhang van Abiram.
  18. Een vuur brandde onder hun aanhang,
    een vlam verzengde de goddelozen.
  19. Zij maakten een kalf bij de Horeb
    en bogen zich neer voor een gegoten beeld.
  20. Zij ruilden hun Eer in
    voor het evenbeeld van een rund, dat gras eet.
  21. Zij vergaten God, hun Heiland,
    Die grote dingen gedaan had in Egypte,
  22. wonderen in het land van Cham,
    ontzagwekkende dingen bij de Schelfzee.
  23. Hij zei dat Hij hen zou wegvagen.
    Als Mozes, Zijn uitverkorene,
    niet voor Zijn aangezicht in de bres had gestaan
    om Zijn grimmigheid af te wenden,
    dan zou Hij hen te gronde gericht hebben.
  24. Zij versmaadden het begerenswaardige land,
    zij geloofden Zijn woord niet,
  25. maar zij morden in hun tenten;
    naar de stem van de HEERE luisterden zij niet.
  26. Daarom hief Hij Zijn hand tegen hen op
    en zwoer dat Hij hen zou neervellen in de woestijn,
  27. dat Hij hun nageslacht zou neervellen onder de heidenvolken
    en hen zou verstrooien door de landen.
  28. Ook koppelden zij zich aan Baäl-Peor,
    zij aten de offers voor de doden.
  29. Zij verwekten de HEERE tot toorn met hun daden,
    zodat er een plaag onder hen uitbrak.
  30. Toen stond Pinehas op en oefende gericht
    en de plaag werd tot stilstand gebracht.
  31. Het is hem gerekend tot gerechtigheid,
    van generatie op generatie, tot in eeuwigheid.
  32. Zij maakten Hem zeer toornig bij het water van Meriba,
    het verging Mozes slecht omwille van hen.
  33. Want zij tergden zijn geest,
    zodat hij met zijn lippen ondoordachte woorden sprak.
  34. Zij vaagden de volken niet weg,
    zoals de HEERE hun bevolen had;
  35. maar zij vermengden zich met de heidenvolken
    en leerden hun gebruiken.
  36. Zij dienden hun afgoden,
    die hun tot een valstrik werden.
  37. Bovendien offerden zij hun zonen
    en hun dochters aan de demonen.
  38. Zij vergoten onschuldig bloed,
    het bloed van hun zonen en dochters.
    Zij offerden hen aan de afgoden van Kanaän,
    zodat het land door deze bloedschulden ontheiligd werd.
  39. Zij verontreinigden zichzelf door hun werken,
    zij bedreven hoererij door hun daden.
  40. Daarom ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Zijn volk,
    Hij had een afschuw van Zijn eigendom.
  41. Hij gaf hen in de hand van de heidenvolken;
    wie hen haatten, heersten over hen.
  42. Hun vijanden onderdrukten hen,
    zij werden vernederd onder hun hand.
  43. Hij redde hen vele keren,
    zíj echter tergden Hem door hun plannen
    en raakten uitgeteerd door hun ongerechtigheid.
  44. Toch zag Hij hun benauwdheid,
    toen Hij hun roepen hoorde.
  45. Hij dacht hun ten goede aan Zijn verbond;
    Hij had berouw, naar Zijn grote goedertierenheid.
  46. Daarom bewees Hij hun barmhartigheid
    bij allen die hen als gevangenen hadden weggevoerd.
  47. Verlos ons, HEERE, onze God,
    breng ons bijeen vanuit de heidenvolken,
    opdat wij Uw heilige Naam loven
    en ons beroemen in Uw lof.
  48. Geloofd zij de HEERE, de God van Israël,
    van eeuwigheid tot eeuwigheid;
    laat heel het volk zeggen: Amen.
    Halleluja!

Dichter:

Onbekend

Samenvatting:

Deze historische psalm somt een aantal gebeurtenissen op uit Israëls geschiedenis (vanaf de uittocht uit Egypte in de woestijn tot de tijd van de richters) om Gods goedertierenheid te tonen, ondanks het ongeloof en de ongehoorzaamheid van het volk. 

Te zingen bij:

Deze website is nog in ontwikkeling

Momenteel is deze website in bèta-versie beschikbaar. U kunt al wel gebruik maken van deze website. In de komende maanden worden moeilijke en verouderde woorden (in de psalmberijming van 1773 en de klassieke liturgische formulieren) voorzien van uitleg. Help mee en ondersteun deze werkzaamheden.

Psalmen: 47 van 162
Formulieren: 0 van 8
Instrumentorgel
Zangwijzeritmisch
Snelheid100
BijbelvertalingHSV
Tekst16