1

Getrouwe God, de heid’nen zijn gekomen,
Zij hebben stout Uw erfland ingenomen:
Jeruzalem, de tempel, Uw altaren,
’t Ligt al verwoest door die geweldenaren!
Uw knechten zijn geveld
Door hun verwoed geweld.
Hun lijken, onbegraven,
Verzaden na hun dood
’t Gediert’ in hongersnood:
En gier en kraai en raven.

2

Het kost’lijk bloed van Uwe gunstgenoten,
Als water om Jeruzalem vergoten,
Doet wijd en zijd des vijands woede blijken;
Het ganse veld is nu bezaaid met lijken,
Van d’ eer des grafs beroofd.
De nabuur schudt het hoofd
En lacht met onz’ ellenden.
Ons deerniswekkend lot,
Stelt ons ten smaad, ten spot
Van vreemden en bekenden.

3

Hoe lang zult Gij in gramschap zijn ontstoken;
Zal ’t hevig vuur Uws ijvers eeuwig roken?
Stort Uwe wraak op hen, die ons verteren,
Op volken, die Uw groten naam niet eren;
Want Isrel, door hun macht
Verschrikklijk omgebracht,
Ligt in zijn bloed verdronken;
Zijn woning, al de troost
En lust van Jakobs kroost,
Gelijkt thans naar spelonken.

4

Gedenk niet meer aan ’t kwaad, dat wij bedreven,
Onz’ euveldaad word’ ons uit gunst vergeven.
Waak op, o God, en wil van verder lijden
Ons klein getal door Uwe kracht bevrijden.
Help ons, barmhartig HEER’,
Uw groten naam ter eer;
Uw trouw koom’ ons te stade;
Verzoen de zware schuld,
Die ons met schrik vervult,
Bewijs ons eens genade!

5

Waarom zou zich der heid’nen macht vermeêren,
Uw hoog gezag door bitt’ren schimp onteren,
En vragen door hun trotsen waan bedrogen:
“Waar is hun God, waar blijkt nu Zijn vermogen?”
Vergeld hun overmoed,
Wreek Uwer knechten bloed,
O God van ons betrouwen;
Verdedig onze zaak,
Doe ’t heidendom uw wraak
Zelfs voor ons oog aanschouwen!

6

Ai, hoor naar hen, die in gevang’nis kwijnen,
Laat hun gekerm voor Uw gezicht verschijnen.
Bevrijd hen, die gedreigd met doodsgevaren,
Op Uwe hulp met smekend’ ogen staren.
Vergeld den wreden smaad,
Waarmee des nabuurs haat,
Uw mogendheid dorst schenden.
Geef hun, o Opperheer,
Die zevenvoudig weer;
Zie neer op onz’ ellenden.

7

Zo zullen wij de schapen Uwer weiden,
In eeuwigheid Uw lof, Uw eer verbreiden,
En zingen van geslachten tot geslachten;
Uw trouw, Uw roem, Uw onverwinb’re krachten.

WDogMQpUOiBQc2FsbSA3OToxCk06IEMKTDogMS80CkM6IGh5cG8taW9uaXNjaApTOiDCqSAyMDIyIC0gbGl0dXJnaWUubnUKUTogMTQwCiUlTUlESSBwcm9ncmFtIDE4Cks6IEcKRDIgRzIgQTIgQjIgQjIgQiBCIEEgYyBCMiBBMiB6MiB8Cnc6R2UtdHJvdS13ZSBHb2QsIGRlIGhlaWTigJktbmVuIHppam4gZ2Uta28tbWVuLApEMiBHIEEgQjIgYzIgQiBBIEIgYyBkMiBCIEAgfAp3OlppaiBoZWItYmVuIHN0b3V0IFV3IGVyZi1sYW5kIGluLWdlLW5vLW1lbjoKQiBBIEEgRzIgRzIgRyBGIEcgRiBFMiBEMiB6MiB8Cnc6SmUtcnUtemEtbGVtLCBkZSB0ZW0tcGVsLCBVdyBhbC10YS1yZW4sCkcyIEcgRiBHMiBEMiBFIEcgQSBCIEEyIEcyIHoyIHwKdzrigJl0fkxpZ3QgYWwgdmVyLXdvZXN0IGRvb3IgZGllIGdlLXdlbC1kZS1uYS1yZW4hCkQyIEcgRiBHMiBBMiBCMiB6MiB8Cnc6VXcga25lY2gtdGVuIHppam4gZ2UtdmVsZApEMiBHIEYgRzIgQTIgQjIgejIgfAp3OkRvb3IgaHVuIHZlci13b2VkIGdlLXdlbGQuCkIyIEIgQiBBIGMgQjIgQTIgejIgfAp3Okh1biBsaWota2VuLCBvbi1iZS1ncmEtdmVuLApkMiBjIEIgQTIgYzIgQjIgejIgfAp3OlZlci16YS1kZW4gbmEgaHVuIGRvb2QKQjIgQSBHIEYgRSBEMiB6MiB8Cnc64oCZdH5HZS1kaWVydOKAmSBpbiBob24tZ2Vycy1ub29kOgpEMiBFIEcgQSBCIEEyIEcyIHoyIHxdCnc6RW4gZ2llciBlbiBrcmFhaSBlbiByYS12ZW4uCg==

Onberijmde versie Psalm 79:1-13 (HSV) Bijbelvertaling aanpassen

  1. Een psalm van Asaf.
    O God, heidenvolken zijn in Uw eigendom gekomen,
    zij hebben Uw heilige tempel verontreinigd,
    zij hebben Jeruzalem tot een puinhoop gemaakt.
  2. Zij hebben de dode lichamen van Uw dienaren
    aan de vogels in de lucht tot voedsel gegeven,
    het vlees van Uw gunstelingen
    aan de wilde dieren van het land.
  3. Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten
    en er was niemand die hen begroef.
  4. Wij zijn voor onze buren tot smaad geworden,
    tot spot en schimp voor wie ons omringen.
  5. Hoelang nog, HEERE? Zult U voor altijd toornig zijn?
    Hoelang zal Uw na-ijver branden als vuur?
  6. Stort Uw grimmigheid uit over de heidenvolken,
    die U niet kennen;
    over de koninkrijken
    die Uw Naam niet aanroepen.
  7. Want men heeft Jakob verslonden,
    zij hebben zijn lieflijke woning verwoest.
  8. Denk niet aan onze vroegere misdaden,
    haast U, laat Uw barmhartigheid ons te hulp komen,
    want wij zijn volledig uitgeteerd.
  9. Help ons, o God van ons heil,
    omwille van de eer van Uw Naam;
    red ons en doe verzoening over onze zonden,
    omwille van Uw Naam.
  10. Waarom zouden de heidenvolken zeggen:
    Waar is hun God?
    Laat de wraak voor het vergoten bloed van Uw dienaren
    bekend worden voor onze ogen onder de heidenvolken.
  11. Laat het gekerm van de gevangenen voor Uw aangezicht komen,
    laat wie ten dode zijn opgeschreven, overeenkomstig de grootheid van Uw arm het leven behouden.
  12. Vergeld onze buren zevenvoudig de smaad in hun boezem
    die zij U, Heere, aangedaan hebben.
  13. Dan zullen wíj, Uw volk en de schapen van Uw weide,
    U voor eeuwig loven;
    van generatie op generatie
    zullen wij van Uw roem vertellen.

Dichter:

Asaf

Samenvatting:

Smeekgebed van Asaf, waarschijnlijk geschreven tijdens de ballingschap. Heidenen hebben de tempel verontreinigd, Jeruzalem verwoest en veel bloed vergoten. Asaf bidt God om redding en wraak.

Te zingen bij:

Deze website is nog in ontwikkeling

Momenteel is deze website in bèta-versie beschikbaar. U kunt al wel gebruik maken van deze website. In de komende maanden worden moeilijke en verouderde woorden (in de psalmberijming van 1773 en de klassieke liturgische formulieren) voorzien van uitleg. Help mee en ondersteun deze werkzaamheden.

Psalmen: 43 van 162
Formulieren: 0 van 8
Instrumentorgel
Zangwijzeritmisch
Snelheid100
BijbelvertalingHSV
Tekst16