5

Hoewel zijn weg niets is dan ijdelbeid,
En hij zichzelf door dwazen hoogmoed vleit,
Stapt echter ’t kroost, dat in der oud’ren woord
Behagen schept, op ’t zelfde doolpad voort.
De dood maait ook dier kind’ren leven af;
Zij volgen hen, als schapen, naar het graf;
En in den dag, den groten dag des HEEREN,
Zal over hen d’ oprechte triomferen!

6

Men denkt niet meer aan hun verleden staat,
Wijl al hun glans met hen in ’t graf vergaat;
Maar na den dood is ’t leven mij bereid:
God neemt mij op in Zijne heerlijkheid.
Vreest hem dan niet, die grote schatten heeft;
Wiens machtig huis in eer en aanzien leeft.
Want hij zal niets in ’t sterven met zich dragen;
Zijn naam, zijn roem, ’t ligt al terneer geslagen.

7

Schoon hij zich op deez’ aard’ in wellust baadt,
En ieder roemt zijn weeld’ en overdaad,
Hij daalt nochtans, gelijk zijn gans geslacht,
Vervreemd van God, in ’s afgronds donk’ren nacht.
Gij dan, o mens, hoe waard, hoe groot in eer,
Zo gij den wil versmaadt van uwen HEER’,
Dan gaat gij, als de beesten, haast verloren;
Een wis verderf is u ten lot beschoren.

WDogMQpUOiBQc2FsbSA0OQpNOiBDCkw6IDEvNApDOiBoeXBvLWlvbmlzY2gKUzogwqkgMjAyMiAtIGxpdHVyZ2llLm51ClE6IDE0MAolJU1JREkgcHJvZ3JhbSAxOApLOiBHCkcyIEcyIEEyIEIgQiBjIEIgQTIgQTIgRzIgejIgfAp3OkhvZS13ZWwgemlqbiB3ZWcgbmlldHMgaXMgZGFuIGlqLWRlbC1iZWlkLApkMiBkIGMgQjIgZDIgYyBCIEIgQSBCMiB6MiB8Cnc6RW4gaGlqIHppY2gtemVsZiBkb29yIGR3YS16ZW4gaG9vZy1tb2VkIHZsZWl0LApCMiBCIEIgQTIgQjIgYyBCIEEgRyBGMiB6MiB8Cnc6U3RhcHQgZWNoLXRlciDigJl0fmtyb29zdCwgZGF0IGluIGRlciBvdWTigJktcmVuIHdvb3JkCkcyIEUgQSBHMiBCMiBBIEcgRyBGIEcyIHoyIHwKdzpCZS1oYS1nZW4gc2NoZXB0LCBvcCDigJl0fnplbGYtZGUgZG9vbC1wYWQgdm9vcnQuCkQyIEUgRiBHMiBCMiBkIGQgYyBjIEIyIHoyIHwKdzpEZSBkb29kIG1hYWl0IG9vayBkaWVyIGtpbi1k4oCZcmVuIGxlLXZlbiBhZjsKZDIgRyBBIEIyIGQyIGMgQiBCIEEgQjIgejIgfAp3OlppaiB2b2wtZ2VuIGhlbiwgYWxzIHNjaGEtcGVuLCBuYWFyIGhldCBncmFmOwpHMiBHIEEgQjIgYzIgQiBBIEcgRiBFMiBEMiB6MiB8Cnc6RW4gaW4gZGVuIGRhZywgZGVuIGdyby10ZW4gZGFnIGRlcyBIRUUtUkVOLApkMiBjIEIgQTIgZDIgYyBCIEEgRyBBMiBHMiB6MiB8XQp3OlphbCBvLXZlciBoZW4gZOKAmX5vcC1yZWNoLXRlIHRyaS1vbS1mZS1yZW4hCg==

Onberijmde versie Psalm 49:1-21 (HSV) Bijbelvertaling aanpassen

  1. Een psalm, voor de koorleider, van de zonen van Korach.
  2. Hoor dit, alle volken,
    neem het ter ore, alle bewoners van de wereld,
  3. zowel eenvoudigen als aanzienlijken,
    rijk en arm samen.
  4. Mijn mond zal enkel wijsheid spreken,
    en de overdenking van mijn hart zal vol inzicht zijn.
  5. Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk,
    ik zal mijn verborgenheden onthullen bij harpspel.
  6. Waarom zou ik bevreesd zijn in dagen van onheil,
    wanneer de onrechtvaardigen mij op de hielen zitten en mij omringen?
  7. Zij vertrouwen op hun vermogen
    en beroemen zich op hun grote rijkdom.
  8. Niemand van hen kan zijn broeder metterdaad verlossen,
    hij kan God zijn losgeld niet geven.
  9. De losprijs voor hun leven is immers te kostbaar
    en zal voor eeuwig ontoereikend zijn.
  10. Hij zou dan voor altijd verder leven,
    en het verderf niet zien.
  11. Want hij ziet dat wijzen sterven,
    dat een dwaas en een onverstandige samen omkomen
    en hun vermogen aan anderen nalaten.
  12. Hun diepste gedachte is dat hun huizen voor eeuwig zullen bestaan,
    hun woningen van generatie op generatie;
    zij noemen de landen naar hun naam.
  13. Toch blijft de mens, in al zijn aanzien, niet bestaan;
    hij wordt gelijk aan de dieren, die vergaan.
  14. Deze weg die zij gaan, is hun dwaasheid;
    toch scheppen hun nakomelingen behagen in hun woorden.
  15. Als schapen zet men hen in het graf,
    de dood zal hen weiden.
    De oprechten zullen in de morgen over hen heersen,
    het graf zal hun gestalte doen wegteren, ver van hun woning.
  16. Maar God zal mijn ziel verlossen uit de greep van het graf,
    want Hij zal mij opnemen.
  17. Wees niet bevreesd, wanneer een man rijk wordt,
    wanneer de eer van zijn huis groot wordt,
  18. want bij zijn sterven zal hij niets van dat alles meenemen,
    zijn eer zal hem in het graf niet nadalen.
  19. Al prijst hij zich in zijn leven gelukkig,
    al looft men u, omdat u zichzelf te goed doet,
  20. toch zal hij komen tot het geslacht van zijn vaderen;
    voor altijd zullen zij het licht niet zien.
  21. De mens, die wel in aanzien is, maar geen inzicht heeft,
    wordt gelijk aan de dieren, die vergaan.

Samenvatting:

Wijsheidspsalm van de Korachieten over rijkdom en de bestemming van de mens. Ongelovigen lijkt het vaak voor de wind te gaan, terwijl gelovigen moeilijkheden ervaren. Is dat wel eerlijk? De psalm geeft hierop antwoord: God zal zeker onderscheid maken tussen (on)gelovigen door wat hun overkomt wanneer zij sterven.

Te zingen bij:

Deze website is nog in ontwikkeling

Momenteel is deze website in bèta-versie beschikbaar. U kunt al wel gebruik maken van deze website. In de komende maanden worden moeilijke en verouderde woorden (in de psalmberijming van 1773 en de klassieke liturgische formulieren) voorzien van uitleg. Help mee en ondersteun deze werkzaamheden.

Instrumentorgel
Zangwijzeritmisch
Snelheid100
BijbelvertalingHSV
Tekst16