5

Verberg Uw oog van mijn bedreven kwaad,
Waardoor mijn ziel gevoelt de diepste wonden.
Delg, delg toch uit mijn schuld en al mijn zonden,
En spreek mij vrij van mijne gruweldaad.
Herschep mijn hart, en reinig Gij, o HEER’,
Die vuile bron van al mijn wanbedrijven;
Vernieuw in mij een vasten geest, en leer
Mij aan Uw dienst oprecht verbonden blijven.

6

Verwerp mij van Uw aangezicht toch niet.
Ai, laat van mij Uw Heil’gen Geest niet scheiden!
Die kan alleen op ’t rechte spoor mij leiden.
Bestier mijn gang, daar Gij mijn zwakheid ziet;
Geef mijn gemoed, dat nu angstvallig vreest,
De blijdschap weer; doe op Uw heil mij hopen.
Laat mij, gesterkt door enen eed’len geest,
Volvaardig ’t pad van Uw geboden lopen.

7

Dan zal ik elk, die ’t heilspoor bijster is,
Vrijmoedig al Uw rechte wegen leren;
De zondaar zal zich dan tot U bekeren,
En scheppen moed uit mijn behoudenis.
O God, Gij God mijns heils, vergeef mijn schuld,
Mijn bloedschuld toch, hoe billijk ook te doemen.
Dan zal mijn mond, met zangstof weer vervuld,
Uw heilig recht, gepaard met goedheid, roemen.

8

HEER’, open Gij mijn lippen door Uw kracht,
Zo zal mijn mond Uw lof gestaag vermelden,
Geen offer kan voor mijne zonden gelden;
Behaagd’ U dat, straks werd het U geslacht.
Indien Gij lust in brandend’ off’ren hadt,
Dan werd het vuur door mij gewis ontstoken;
Ik spaarde dan noch zorg, noch vlijt, noch schat,
Maar zou ’t altaar van offervee doen roken.

9

Gods offers zijn een gans verbroken geest,
Door schuldbesef getroffen en verslagen.
Dit offer kan Uw heilig oog behagen,
’t Is nooit, o God, van U veracht geweest.
Doe Sion wel, laat om mijn zwaren val
Uw goedheid niet van zijne burg’ren wijken;
Bouw Salem op, laat nooit zijn muur en wal,
Door Uwe straf, voor ’s vijands macht bezwijken.

10

Dan vindt Gij in onz’ offeranden lust,
Waarmee wij U naar ’t heilig recht vereren;
Dan zal ’t altaar de varren gans verteren;
Dan wordt het vuur daarop nooit uitgeblust.

WDogMQpUOiBQc2FsbSA1MTo1Ck06IEMKTDogMS80CkM6IHBocnlnaXNjaApTOiDCqSAyMDIyIC0gbGl0dXJnaWUubnUKUTogMTQwCiUlTUlESSBwcm9ncmFtIDE4CkUyIEcgRyBBMiBFMiBHIEcgRDIgRjIgRTIgejIgfAp3OlZlci1iZXJnIFV3IG9vZyB2YW4gbWlqbiBiZS1kcmUtdmVuIGt3YWFkLApFMiBFIEQgQzIgRTIgRSBGIEcgQSBeRzIgQTIgejIgfAp3OldhYXItZG9vciBtaWpuIHppZWwgZ2Utdm9lbHQgZGUgZGllcC1zdGUgd29uLWRlbi4KQTIgRiBGIEUyIEMyIEQgRSBGIEUgRDIgQzIgejIgfAp3OkRlbGcsIGRlbGcgdG9jaCB1aXQgbWlqbiBzY2h1bGQgZW4gYWwgbWlqbiB6b24tZGVuLApFMiBHIEEgQjIgRzIgQSBjIEIgQiBBMiB6MiB8Cnc6RW4gc3ByZWVrIG1paiB2cmlqIHZhbiBtaWotbmUgZ3J1LXdlbC1kYWFkLgpBMiBBIEEgRzIgRTIgQSBBIEcyIEYyIEUyIHoyIHwKdzpIZXItc2NoZXAgbWlqbiBoYXJ0LCBlbiByZWktbmlnIEdpaiwgbyBIRUVS4oCZLApBMiBBIEIgYzIgQTIgRyBFIEYgRyBBMiBFMiB6MiB8Cnc6RGllIHZ1aS1sZSBicm9uIHZhbiBhbCBtaWpuIHdhbi1iZS1kcmlqLXZlbjsKRTIgRiBEIEUyIEMyIEQgRSBGMiBEMiBFMiB6MiB8Cnc6VmVyLW5pZXV3IGluIG1paiBlZW4gdmFzLXRlbiBnZWVzdCwgZW4gbGVlcgpBMiBHIEcgQTIgYzIgYyBCIEEgRyBGMiBFMiB6MiB8XQp3Ok1paiBhYW4gVXcgZGllbnN0IG9wLXJlY2h0IHZlci1ib24tZGVuIGJsaWotdmVuLgo=

Onberijmde versie Psalm 51:1-20 (HSV) Bijbelvertaling aanpassen

  1. Een psalm van David, voor de koorleider;
  2. Wees mij genadig, o God, overeenkomstig Uw goedertierenheid,
    delg mijn overtreding uit overeenkomstig Uw grote barmhartigheid.
  3. Was mij schoon van mijn ongerechtigheid,
    reinig mij van mijn zonde.
  4. Want ík ken mijn overtredingen,
    mijn zonde staat mij voortdurend voor ogen.
  5. Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd,
    ik heb gedaan wat kwaad is in Uw ogen,
    zodat U rechtvaardig bent wanneer U rechtspreekt
    en rein bent wanneer U oordeelt.
  6. Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren,
    in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.
  7. Zie, U vindt vreugde in waarheid in het binnenste,
    in het verborgene maakt U mij wijsheid bekend.
  8. Ontzondig mij met hysop, dan zal ik rein zijn,
    was mij, dan zal ik witter zijn dan sneeuw.
  9. Doe mij vreugde en blijdschap horen;
    laat de beenderen zich verheugen die U verbrijzeld hebt.
  10. Verberg Uw aangezicht voor mijn zonden;
    delg al mijn ongerechtigheden uit.
  11. Schep mij een rein hart, o God,
    en vernieuw in mijn binnenste een standvastige geest.
  12. Verwerp mij niet van voor Uw aangezicht
    en neem Uw Heilige Geest niet van mij weg.
  13. Geef mij de vreugde over Uw heil terug,
    ondersteun mij met een geest van vrijmoedigheid.
  14. Dan zal ik overtreders Uw wegen leren
    en zondaars zullen zich tot U bekeren.
  15. Red mij van bloedschulden, o God, God van mijn heil,
    dan zal mijn tong vrolijk zingen van Uw gerechtigheid.
  16. Heere, open mijn lippen;
    dan zal mijn mond Uw lof verkondigen.
  17. Want U vindt geen vreugde in offers, anders zou ik ze brengen;
    in brandoffers schept U geen behagen.
  18. De offers voor God zijn een gebroken geest;
    een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.
  19. Doe goed aan Sion, naar Uw welbehagen;
    bouw de muren van Jeruzalem op.

Dichter:

David

Samenvatting:

Boetepsalm van David, nadat de profeet Nathan hem veroordeeld had voor het bedrijven van overspel met Bathseba en het vermoorden van haar echtgenoot (2 Sam. 12:1-14). Omdat deze persoonlijke psalm onderwijzende elementen bevat, kan de psalm ook door individuele gemeenteleden gebruikt worden, om hun eigen zonden te belijden.

Te zingen bij:

Deze website is nog in ontwikkeling

Momenteel is deze website in bèta-versie beschikbaar. U kunt al wel gebruik maken van deze website. In de komende maanden worden moeilijke en verouderde woorden (in de psalmberijming van 1773 en de klassieke liturgische formulieren) voorzien van uitleg. Help mee en ondersteun deze werkzaamheden.

Psalmen: 43 van 162
Formulieren: 0 van 8
Instrumentorgel
Zangwijzeritmisch
Snelheid100
BijbelvertalingHSV
Tekst16