6

Door ’s Hoogsten arm ’t geweld onttogen,
Zal ik, genoopt tot dankbaarheid,
Verschijnen voor Zijn heilig’ ogen
Met offers, aan Hem toegezeid.
Ik zal, nu ik mag ademhalen,
Na zoveel bangen tegenspoed,
Al mijn geloften U betalen,
U, Die in nood mij hebt behoed.

7

Ik zal het brandaltaar doen roken
Van ’t edelst’ vee uit kooi en stal;
Zo worden vet en merg ontstoken,
Bij ’t lieflijk rijzend lofgeschal.
Het reukwerk zal zijn geur verspreiden,
Daar ram bij ram wordt aangebracht.
’k Zal bok en rund ten offer leiden,
Opdat men z’ U ter ere slacht’.

8

Komt, luistert toe, gij Godgezinden,
Gij, die den Heer’ van harte vreest,
Hoort, wat mij God deed ondervinden,
Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.
’k Sloeg heilbegerig ’t oog naar boven,
Ik riep den Heer’ ootmoedig aan;
Ik mocht met mond en hart Hem loven,
Hem, Die alleen mij bij kon staan.

9

Waar’ ik door ongerechtigheden
En haar aanlokselen bekoord;
Dan had de Heer’ naar mijn gebeden
En jammerklachten niet gehoord.
Maar nu, nu heeft met gunstig’ oren,
Mijn God op mijnen wens gelet;
Hij, die het al kan zien en horen,
Merkt’ op de stem van mijn gebed.

10

God zij altoos op ’t hoogst geprezen;
Lof zij Gods goedertierenheid,
Die nimmer mij heeft afgewezen,
Noch mijn gebed gehoor ontzeid.

WDogMQpUOiBQc2FsbSA2NgpNOiBDCkw6IDEvNApDOiBoeXBvLWlvbmlzY2gKUzogwqkgMjAyMSAtIGxpdHVyZ2llLm51ClE6IDE0MAolJU1JREkgcHJvZ3JhbSAxCks6IEcKRzIgRSBEIEcgRyBBIGMgQjIgQTIgejIgfAp3OkRvb3Ig4oCZc35Ib29nLXN0ZW4gYXJtIOKAmXR+Z2Utd2VsZCBvbnQtdG8tZ2VuLApkMiBCIEIgRyBjIEIyIEEyIEcyIHoyIHwKdzpaYWwgaWssIGdlLW5vb3B0IHRvdCBkYW5rLWJhYXItaGVpZCwKRzIgRSBEIEcgRyBBIGMgQjIgQTIgejIgfAp3OlZlci1zY2hpai1uZW4gdm9vciBaaWpuIGhlaS1saWfigJkgby1nZW4KZDIgYyBCIEEgRyBHIEYgRzIgejIgfAp3Ok1ldCBvZi1mZXJzLCBhYW4gSGVtIHRvZS1nZS16ZWlkLgpkMiBkIGMgQjIgQTIgRyBGIEUyIEQyIHoyIHwKdzpJayB6YWwsIG51IGlrIG1hZyBhLWRlbS1oYS1sZW4sCkQyIEcgRyBGIEUgRzIgQTIgQjIgejIgfAp3Ok5hIHpvLXZlZWwgYmFuLWdlbiB0ZS1nZW4tc3BvZWQsCkcyIEcgQSBCIEcgYyBjIEIyIEEyIHoyIHwKdzpBbCBtaWpuIGdlLWxvZi10ZW4gVSBiZS10YS1sZW4sCmQyIGMgQiBBIEcgRyBGIEcyIHoyIHxdCnc6VSwgRGllIGluIG5vb2QgbWlqIGhlYnQgYmUtaG9lZC4K

Onberijmde versie Psalm 66:1-20 (HSV) Bijbelvertaling aanpassen

  1. Een lied, een psalm, voor de koorleider.
    Juich voor God, heel de aarde!
  2. Zing psalmen voor Zijn heerlijke Naam,
    geef Hem lof en eer.
  3. Zeg tegen God: Hoe ontzagwekkend bent U in Uw werken!
    Om de grootheid van Uw macht veinzen Uw vijanden dat zij zich aan U onderwerpen.
  4. Laat heel de aarde zich voor U neerbuigen en voor U psalmen zingen,
    laat zij voor Uw Naam psalmen zingen.
  5. Kom en zie Gods daden;
    ontzagwekkend is Zijn doen voor de mensenkinderen.
  6. Hij heeft de zee veranderd in het droge;
    zij zijn te voet door de rivier gegaan;
    daar hebben wij ons in Hem verblijd.
  7. Hij heerst eeuwig met Zijn macht,
    Zijn ogen houden de wacht over de heidenvolken.
    Laten de opstandigen zich niet verheffen.
  8. Loof, volken, onze God;
    laat het geluid van Zijn roem horen,
  9. Die onze ziel weer het leven geeft,
    en niet toelaat dat onze voet wankelt.
  10. Want U hebt ons beproefd, o God,
    U hebt ons gelouterd, zoals men zilver loutert.
  11. U had ons in het net gebracht,
    U had een knellende band om ons middel gelegd,
  12. U had de sterveling over ons hoofd doen rijden.
    Wij waren in het vuur en in het water gekomen,
    maar U hebt ons uitgeleid naar de overvloed.
  13. Ik zal met brandoffers Uw huis binnengaan;
    ik zal aan U mijn geloften nakomen,
  14. die mijn lippen hebben geuit
    en mijn mond heeft uitgesproken in mijn nood.
  15. Brandoffers van mestvee zal ik U brengen,
    samen met de offergeur van rammen;
    ik zal runderen met bokken als offer bereiden.
  16. Kom, luister, allen die God vreest,
    en ik zal vertellen
    wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.
  17. Ik riep tot Hem met mijn mond,
    en Hij werd geroemd door mijn tong.
  18. Had ik in mijn hart onrecht op het oog gehad,
    de Heere zou mij niet hebben gehoord.
  19. Voorwaar, God heeft naar mij geluisterd,
    Hij heeft acht geslagen op mijn luide gebed.
  20. Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewezen,
    en Zijn goedertierenheid mij niet heeft onthouden.

Samenvatting:

Anonieme dankpsalm, gericht aan God, waarschijnlijk geschreven na een nationale redding. Heel de aarde wordt uitgenodigd om zich bij deze viering aan te sluiten.

Te zingen bij:

Deze website is nog in ontwikkeling

Momenteel is deze website in bèta-versie beschikbaar. U kunt al wel gebruik maken van deze website. In de komende maanden worden moeilijke en verouderde woorden (in de psalmberijming van 1773 en de klassieke liturgische formulieren) voorzien van uitleg. Help mee en ondersteun deze werkzaamheden.

Instrumentpiano
Zangwijzeritmisch
Snelheid100
BijbelvertalingHSV
Tekst16