10

Hoe worden zij tot ieders schrik
Vernield als in een ogenblik;
Hoe moeten zij het leven enden,
Van angst verteerd in hun ellenden?
Hun weeld’ is als een droom vergaan.
O HEER’, wanneer Gij op zult staan,
Zult Gij hun tonen, onverwacht,
Hoe Gij hun ijdel beeld veracht.

11

Toen ’t zwellend hart met ongeduld
En wrevel’ afgunst werd vervuld,
En ik geprikkeld in mijn nieren,
Om trots mijn drift den toom te vieren,
Was mijn verstand van licht beroofd;
Ik heb Gods waarheid niet geloofd,
Maar was, door mijn verwaanden geest,
Bij U een onvernuftig beest.

12

’k Zal dan gedurig bij U zijn,
In al mijn noden, angst en pijn;
U al mijn liefde waardig schatten,
Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
Gij zult mij leiden door Uw raad,
O God, mijn heil, mijn Toeverlaat;
En mij, hiertoe door U bereid,
Opnemen in Uw heerlijkheid.

13

Wien heb ik nevens U omhoog?
Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog,
Op aarde nevens U toch lusten?
Niets is er, waar ik in kan rusten.
Bezwijkt dan ooit, in bitt’re smart
Of bangen nood, mijn vlees en hart,
Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed
Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.

14

Wie ver van U de weelde zoekt,
Vergaat eerlang en wordt vervloekt.
Gij roeit hen uit, die afhoereren
En U den trotsen nek toekeren.
Maar ’t is mij goed, mijn zaligst lot,
Nabij te wezen bij mijn God;
’k Vertrouw op Hem geheel en al,
Den HEER’, Wiens werk ik roemen zal.

WDogMQpUOiBQc2FsbSA3MwpNOiBDCkw6IDEvNApDOiBpb25pc2NoClM6IMKpIDIwMjIgLSBsaXR1cmdpZS5udQpROiAxNDAKJSVNSURJIHByb2dyYW0gMTgKSzogRApBMiBCIGQgYyBCMiBBMiBeRyBBMiB6MiB8Cnc6SG9lIHdvci1kZW4gemlqIHRvdCBpZS1kZXJzIHNjaHJpawpkMiBjIEIgZDIgQTIgQiBjIGQyIHoyIHwKdzpWZXItbmllbGQgYWxzIGluIGVlbiBvLWdlbi1ibGlrOwpBMiBCIEIgQTIgRjIgRyBBIEIyIEEyIHoyIHwKdzpIb2UgbW9lLXRlbiB6aWogaGV0IGxlLXZlbiBlbi1kZW4sCkYyIEEgQSBGMiBEMiBHIEYgRTIgRDIgejIgfAp3OlZhbiBhbmdzdCB2ZXItdGVlcmQgaW4gaHVuIGVsLWxlbi1kZW4/CkEyIEIgYyBkIEIgQTIgRzIgRjIgejIgfAp3Okh1biB3ZWVsZOKAmSBpcyBhbHMgZWVuIGRyb29tIHZlci1nYWFuLgpGMiBHIEEgQjIgQSBHIEYyIEUyIHoyIHwKdzpPIEhFRVLigJksIHdhbi1uZWVyIEdpaiBvcCB6dWx0IHN0YWFuLApBMiBCIGMgQSBkIGMyIEIyIEEyIHoyIHwKdzpadWx0IEdpaiBodW4gdG8tbmVuLCBvbi12ZXItd2FjaHQsCkYyIEcgQSBFIEcgRjIgRTIgRDIgejIgfF0KdzpIb2UgR2lqIGh1biBpai1kZWwgYmVlbGQgdmVyLWFjaHQuCg==

Onberijmde versie Psalm 73:1-28 (HSV) Bijbelvertaling aanpassen

  1. Een psalm van Asaf.
    Ja, God is goed voor Israël,
    voor hen die zuiver van hart zijn.
  2. Maar wat mij betreft, mijn voeten waren bijna uitgegleden,
    mijn schreden waren haast uitgeschoten,
  3. want ik was jaloers op de dwazen,
    toen ik de vrede van de goddelozen zag.
  4. Tot aan hun dood zijn er immers geen boeien,
    en hun kracht is fris.
  5. Zij verkeren niet in moeiten, zoals andere stervelingen,
    en worden niet gekweld met andere mensen.
  6. Daarom hangt de hoogmoed hun als een ketting om de nek,
    het geweld bedekt hen als een mantel.
  7. Hun ogen puilen uit van vet,
    zij hebben de inbeeldingen van hun hart overtroffen.
  8. Zij spotten en spreken boosaardig van onderdrukking,
    zij spreken uit de hoogte.
  9. Zij zetten hun mond op tegen de hemel,
    hun tong wandelt honend rond op de aarde.
  10. Daarom kan Gods volk ertoe komen,
    wanneer er een volle beker water voor hen uitgeperst wordt,
  11. dat zij zeggen: Hoe kan God het weten?
    Zou de Allerhoogste er weet van hebben?
  12. Zie, dezen zijn goddeloos,
    toch hebben zij in de wereld rust en vermeerderen hun vermogen.
  13. Ja, voor niets heb ik mijn hart gezuiverd
    en mijn handen in onschuld gewassen.
  14. Want de hele dag word ik gekweld
    en mijn bestraffing is er elke morgen.
  15. Als ik zou zeggen: Ik zal ook zo spreken,
    zie, ik zou ontrouw zijn aan al Uw kinderen.
  16. Toch heb ik nagedacht om dit te kunnen begrijpen,
    maar het was moeite in mijn ogen,
  17. totdat ik Gods heiligdom binnenging
    en op hun einde lette.
  18. Ja, U zet hen op gladde plaatsen,
    U doet hen in verwoesting vallen.
  19. Hoe worden zij in een ogenblik tot een verwoesting!
    Zij worden weggevaagd, komen om door verschrikkingen.
  20. Zoals een droom vervaagt bij het ontwaken,
    zult U, Heere, als U wakker wordt, hun beeld verachten.
  21. Toen mijn hart verbitterd was
    en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
  22. hoe onverstandig was ik toen, ik wist niets!
    Ik was een redeloos dier bij U.
  23. Niettemin zal ik voortdurend bij U zijn,
    U hebt mijn rechterhand gegrepen.
  24. U zult mij leiden door Uw raad,
    daarna zult U mij in heerlijkheid opnemen.
  25. Wie heb ik behalve U in de hemel?
    Naast U vind ik nergens vreugde in op de aarde.
  26. Bezwijkt mijn lichaam en mijn hart,
    dan is God de rots van mijn hart
    en voor eeuwig mijn deel.
  27. Want zie, wie zich ver van U houden, zullen omkomen;
    U verdelgt allen die als in hoererij U verlaten.
  28. Maar wat mij betreft, het is voor mij goed dicht bij God te zijn.
    Ik neem mijn toevlucht tot de Heere HEERE,
    om al Uw werken te vertellen.

Samenvatting:

Wijsheidspsalm van Asaf over de aanwezigheid van het kwaad en de heerschappij van het onrecht: waarom gaat het de zondaar voor de wind en moet de rechtvaardige lijden? Het helpt om te zien waar de verschillende levenspaden toe leiden: in Gods nabijheid zijn of ver weg van Hem.

Te zingen bij:

Deze website is nog in ontwikkeling

Momenteel is deze website in bèta-versie beschikbaar. U kunt al wel gebruik maken van deze website. In de komende maanden worden moeilijke en verouderde woorden (in de psalmberijming van 1773 en de klassieke liturgische formulieren) voorzien van uitleg. Help mee en ondersteun deze werkzaamheden.

Instrumentorgel
Zangwijzeritmisch
Snelheid100
BijbelvertalingHSV
Tekst16