1

In d’ achtb’re Godsvergaderingen
Staat God, als Richter der gedingen.
Hij oordeelt over goed en kwaad,
in ’t midden van der goden raad:
“Hoe lang zult gij van ’t richtsnoer wijken,
Een onrechtvaardig vonnis strijken,
En acht slaan op het aangezicht
Der goddelozen in ’t gericht?”

2

Toont aller goden God te vrezen;
Doet recht aan armen en aan wezen,
Rechtvaardigt hem, die billijk klaagt,
Verdrukt of arm uw hulpe vraagt;
Verlost geringen uit hun lijden,
En wilt behoeftigen bevrijden,
Rukt z’ uit der goddelozen hand;
Gerechtigheid verhoogt een land.

3

Maar ach, hier is het recht vergeten;
Men heeft noch kennis noch geweten;
Men wandelt in de duisternis;
Het wankelt al, wat zeker is;
Dies ziet men ’s aardrijks grondvest beven
’k Heb wel voorheen u d’ eer gegeven,
Dat Ik u goden heb genoemd
En als Gods kinderen geroemd!

4

Gij zult nochtans het leven derven,
En als gemene mensen sterven;
Eens storten van den stoel der eer
in ’t graf, als elk der vorsten, neer.
Sta op, o God, en wil ontwaken.
Ai, oordeel ’t aardrijk, richt de zaken;
Want Gij bezit op aard’ alom
De volkeren in eigendom.

WDogMQpUOiBQc2FsbSA4MjoyCk06IEMKTDogMS80CkM6IG1peG9seWRpc2NoClM6IMKpIDIwMjIgLSBsaXR1cmdpZS5udQpROiAxNDAKJSVNSURJIHByb2dyYW0gMTgKSzogRwpBMiBBIEEgQiBHIEEgYyBCMiBBMiB6MiB8Cnc6VG9vbnQgYWwtbGVyIGdvLWRlbiBHb2QgdGUgdnJlLXplbjsKQTIgQSBFIEcgRyBGIEQgRTIgRDIgejIgfAp3OkRvZXQgcmVjaHQgYWFuIGFyLW1lbiBlbiBhYW4gd2UtemVuLApEMiBBIEIgRyBBIGMyIEIyIEEyIHoyIHwKdzpSZWNodC12YWFyLWRpZ3QgaGVtLCBkaWUgYmlsLWxpamsga2xhYWd0LApFMiBGIEEgRSBHIEYyIEUyIEQyIHoyIHwKdzpWZXItZHJ1a3Qgb2YgYXJtIHV3IGh1bC1wZSB2cmFhZ3Q7CkEyIEEgYyBCIEEgQiBjIGQyIEEyIHoyIHwKdzpWZXItbG9zdCBnZS1yaW4tZ2VuIHVpdCBodW4gbGlqLWRlbiwKQTIgQSBjIEIgQSBCIGMgZDIgQTIgejIgfAp3OkVuIHdpbHQgYmUtaG9lZi10aS1nZW4gYmUtdnJpai1kZW4sCmQyIGQgYyBCIEEgRzIgRjIgRTIgejIgfAp3OlJ1a3QgeuKAmX51aXQgZGVyIGdvZC1kZS1sby16ZW4gaGFuZDsKQTIgYyBCIEEgRyBGMiBFMiBEMiB6MiB8XQp3OkdlLXJlY2gtdGlnLWhlaWQgdmVyLWhvb2d0IGVlbiBsYW5kLgo=

Onberijmde versie Psalm 82:1-8 (HSV) Bijbelvertaling aanpassen

  1. Een psalm van Asaf.
    God staat in de vergadering van God,
    Hij oordeelt te midden van de goden:
  2. Hoelang zult u onrechtvaardig oordelen
    en de goddelozen bevoordelen?
  3. Doe recht aan de geringe en de wees,
    bewijs de ellendige en de arme gerechtigheid.
  4. Bevrijd de geringe en de arme,
    ontruk hem aan de hand van de goddelozen.
  5. Zij weten niets en begrijpen niets,
    zij wandelen steeds in de duisternis rond;
    daarom wankelen alle fundamenten van de aarde.
  6. Ík heb wel gezegd: U bent goden,
    u bent allen zonen van de Allerhoogste;
  7. toch zult u sterven als een mens,
    zoals iedere andere vorst zult u vallen.
  8. Sta op, o God, oordeel de aarde,
    want Ú bezit alle volken.

Dichter:

Asaf

Samenvatting:

Deze psalm van Asaf roept een beeld op van God als Opperrechter van alle volken, die aan iedereen rekenschap vraagt van de door Hem gegeven taak om op aarde recht te spreken.

Deze website is nog in ontwikkeling

Momenteel is deze website in bèta-versie beschikbaar. U kunt al wel gebruik maken van deze website. In de komende maanden worden moeilijke en verouderde woorden (in de psalmberijming van 1773 en de klassieke liturgische formulieren) voorzien van uitleg. Help mee en ondersteun deze werkzaamheden.

Psalmen: 47 van 162
Formulieren: 0 van 8
Instrumentorgel
Zangwijzeritmisch
Snelheid100
BijbelvertalingHSV
Tekst16